Opinie

Zelfbeschikking is lang niet goed voor iedereen

Lang zagen rechts en links zelfbeschikking als de oplossing voor al uw én hun problemen. Maar de minst weerbaren kunnen het helemaal niet aan, schrijft . Pleidooi voor een sturende overheid.

Illustratie XF&M

Nog maar vier jaar geleden trad een nieuwe wet voor inburgering van nieuwkomers in werking. Voortaan waren niet langer de gemeenten verantwoordelijk, maar de nieuwkomers zelf. Vanaf nu moesten zij zelf hun inburgeringscursus regelen en betalen.

Ook de gemeentelijke ‘klantmanager’, die tot dan toe hulp had geboden en als aanspreekpunt had gediend, werd afgeschaft. De cursusmarkt werd geprivatiseerd. Vanaf nu moesten nieuwkomers, vers uit het asielzoekerscentrum, zelf hun weg zoeken door het woud van regelingen en aanbieders – zonder begeleiding en zonder onafhankelijke partij die de kwaliteit van de cursussen toetst.

Januari dit jaar kraakte de Algemene Rekenkamer de resultaten. Slechts eenderde slaagt binnen drie jaar voor het inburgeringsexamen – dat is de helft minder dan voorheen. Minder migranten combineren de cursus met een opleiding of een baan. En bijna niemand durft meer voor een hoger-niveaucursus te kiezen. Over de hele linie heeft de beleidsverandering een dramatische vermindering van kansen op integratie opgeleverd.

De Rekenkamer beveelt nu aan dat gemeenten weer een sturende rol gaan spelen. Demissionair minister Asscher (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) onderschrijft dat. Hij wil ook een streng toezicht op de kwaliteit van de aanbieders.

Rechtsomkeert binnen vier jaar. Hoe is het mogelijk dat dit dreigende echec niet eerder onder ogen is gezien? En dat zo slordig met het lot van nieuwe Nederlanders is omgesprongen?

Die vraag is des te prangender als je bedenkt dat inburgering maar één voorbeeld is van nieuwe beleidsmaatregelen die binnen korte tijd moeten worden bijgesteld. Hetzelfde gebeurt bij een reeks van regelingen waar iedere burger mee te maken krijgt.

Jeugdzorg, volkshuisvesting, spoorwegen, dienstverlenende beroepen en bedrijven; ze kregen allemaal te maken met privatisering, verzelfstandiging, zelfregulering en/of decentralisatie, vaak in combinatie met bezuiniging.

Hieronder geef ik een reeks voorbeelden van de problemen die dit met zich meebracht voor de dienstverlening aan burgers en cliënten. Een tijdlang konden die worden afgedaan als ‘kinderziekten’, maar in veel gevallen helpt dat niet meer. Steeds vaker klinken er dan ook pleidooien om eerder genomen maatregelen terug te draaien en de overheid weer meer verantwoordelijkheid en regie te geven.

Hoe komt het dat er de laatste tijd zo veel te reinigen valt?

Op zich is het gezond als een politiek systeem blijkgeeft van zelfreinigend vermogen. Maar daarmee is de vraag nog niet beantwoord hoe het komt dat er de laatste tijd zo veel te reinigen valt. Op het eerste gezicht biedt de golfbeweging van de economische conjunctuur antwoord. De crisis maakte bezuinigingen nodig, waardoor de overheid haar rol moest beperken.

Maar de meeste maatregelen die deze problemen veroorzaakten, vonden hun oorsprong in de periode vóór de crisis. Ze sproten niet voort uit economische noodzaak, maar uit de breed gedragen ideologische overtuiging dat de overheid burgers en instanties niet meer moest betuttelen, maar hun zelfredzaamheid moest ‘faciliteren’.

Verantwoordelijkheden en bevoegdheden moesten zo dicht mogelijk bij de basis worden gelegd; dat gold zowel voor instanties als voor individuele burgers. Liep iemand tegen een probleem aan, dan moest hij als ‘probleemeigenaar’ zelf een oplossing zien te vinden.

Nu het inzicht doorbreekt dat de mogelijkheden van zelfbeschikking voor burgers op een aantal gebieden zwaar zijn overschat, dient zich de volgende vraag aan. Wat waren de financiële en maatschappelijke kosten van deze overschatting? Wie draaiden er voor op?

Een paar voorbeelden uit het alledaagse leven. In de jaren zestig werd ‘schoolzwemmen’ verplicht op de basisschool, als onderdeel van het lespakket en betaald door het Rijk. Tot 1985. Toen werd de zwemles uit de Onderwijswet gehaald: schoolzwemmen werd afhankelijk van de prioriteiten van plaatselijke politici, die later nog meer onder druk kwamen te staan door de crisis. Op de meeste scholen is het inmiddels afgeschaft.

De achterliggende gedachte – dat ouders en scholen de verantwoordelijkheid voortaan zelf wel aan konden – was niet uit de lucht gegrepen. De meeste kinderen gaan tegenwoordig al op hun vierde of vijfde jaar naar zwemles. Het gevaar schuilt in de overschatting van dit gegeven, in de achteloze manier waarop het over de hele linie van toepassing werd geacht en doorgevoerd.

Het aantal kinderen dat door verdrinking om het leven komt, vertoont al jaren een daling, met één uitzondering: allochtone kinderen lopen een drie tot vier maal hogere kans te verdrinken dan autochtone kinderen. In de afgelopen twintig jaar verdronken 128 autochtone kinderen en 221 kinderen met een niet-westerse achtergrond.

Slachtoffers vallen dus vooral in milieus zonder zwemcultuur of zonder geld om particuliere zwemles te betalen. Instanties als de Nationale Raad Zwemdiploma’s en Reddingsbrigade Nederland bepleiten nu herinvoering van verplicht schoolzwemmen.

Een ander voorbeeld. Sinds 1932 is het verkeersexamen verplicht voor leerlingen in de hoogste klassen van het basisonderwijs. Maar veel gemeenten hebben dat verkeersexamen wegbezuinigd – het is immers de verantwoordelijkheid van ouders en scholen. Inmiddels doet nog maar iets meer dan de helft van de basisscholen mee aan het praktijkexamen.

Maar ook hier geldt dat de veronderstelde zelfredzaamheid voor sommige groepen een illusie is. Uit onderzoek blijkt keer op keer dat Turks-Nederlandse en Marokkaans-Nederlandse kinderen veel vaker bij een verkeersongeval zijn betrokken dan andere kinderen.

Nog een voorbeeld. In 1993 werd het fokken of verkopen van bepaalde hondenrassen, met name pitbulls, verboden. In 2008 werd deze regeling weer ingetrokken: iedereen mag weer een vechthond aanschaffen en iedere gemeente moet zelf maar uitmaken hoe ze met bijtincidenten omgaat.

Sindsdien is het fokken op pure agressie en kracht geëxplodeerd. Ook is het aantal bijtincidenten met zulke doorgefokte vechtmachines toegenomen. De registratie is onvolledig en gebrekkig, de meeste gemeenten houden niks bij. Waar dat wel gebeurt, zoals in Zwolle en Apeldoorn, neemt het aantal ieder jaar toe.

Ook hier keert de wal het schip. Eigenaren van agressieve hondenrassen moeten binnenkort op opvoedcursus. Op eigen verantwoordelijkheid alleen wordt niet meer vertrouwd. De Dierenbescherming wil dat het fokken en kopen van vechthonden weer aan banden wordt gelegd; demissionair staatssecretaris Van Dam werkt aan een fok- en importverbod voor ‘hoogrisicohonden’.

Twintig jaar geleden twijfelde bijna niemand aan de zegeningen van ongebreidelde zelfbeschikking. Niet alleen gelóófden we erin, we feliciteerden onszelf er ook mee. Uitbundig zelfs. Vol overtuiging zongen we het Postbankliedje mee over ‘het land, wars van betutteling’, met die vijftien miljoen mensen die je ‘niet de wetten voorschrijft’ maar ‘in hun waarde laat’. En als gidsland van de eigengereidheid tooiden we onszelf fier met het epitheton ‘prudent progressief’.

Progressief waren we inderdaad, en zijn we nog steeds. Toenemende zelfbeschikking is door de geschiedenis heen een onmiskenbare, krachtige en positieve trend. Het valt toe te juichen dat bijna alle politieke stromingen in Nederland het beginsel op hun eigen wijze hebben omhelsd.

Maar in de manier waarop ze het in beleid hebben gegoten, valt prudentie ver te zoeken. Dat geldt in het bijzonder voor links Nederland. Ook links was sinds de jaren zestig een warm pleitbezorger van zelfbeschikking; die zou immers gepaard gaan met machtsnivellering en emancipatie.

Voor de minst weerbaren komt het afkondigen van totale zelfbeschikking juist neer op minder kansen.

Iets meer prudentie had kunnen leiden tot terughoudendheid met het doseren ervan, vanuit het inzicht dat vooral goed opgeleide en weerbare burgers gebruik weten te maken van die ruimte voor het ontplooien van ‘eigen kracht’. Voor hen is Nederland mede daardoor dat ‘waanzinnig gave land’ geworden waarvan ook linkse politici als Timmermans zo graag spreken.

Maar voor de minst weerbaren, maatschappelijk zwakken, kansarme immigranten, slechtopgeleiden en mensen die in de globale economie buitenspel komen te staan, komt het afkondigen van totale zelfbeschikking juist neer op minder kansen. Zij zijn het slachtoffer – niet van de trend naar zelfbeschikking, maar van de ongeclausuleerde manier waarop dat goedje de afgelopen decennia als een soort haarlemmerolie over ‘beleids-Nederland’ is uitgegoten.

Met een vertraging van tien, twintig jaar wordt een aantal van de gevolgen nu bijgesteld en herneemt de overheid iets van haar vroegere rol. Hopelijk op tijd om ook iets te veranderen aan het gevoel dat in diezelfde periode bij heel wat Nederlanders heeft postgevat: het gevoel door de politiek in de steek te zijn gelaten en te zijn teruggeworpen op zichzelf.