Mag Youp wat GeenStijl niet mag?

Wat is het verschil tussen Youp en GeenStijl? Dat blog, het „afvoerputje van internet”, werd in NRC hard aangepakt in het Commentaar, uit naam van de „beschaving”, na een seksistische actie tegen een journaliste. Maar, vragen verschillende lezers, waarom staat de krant de eigen columnist Youp van ’t Hek dan toe te fantaseren over het „ruimen” van SGP-politicus Kees van der Staaij, en over seksuele acrobatiek van diens echtgenote met een „neger”? (Klaar met Kees, 21 juli 2017).

Die column was een groot klikcijfersucces, zoals vrijwel alle columns van Van ’t Hek; deze knalde vrijdag al naar de eerste plaats in de Top-20 van best gelezen stukken en daalde pas op zondag naar de tweede plaats. Mooi dat die Van der Staaij eens flink „de oren werd gewassen”, schreef een lezer. Maar niet iedereen lachte dus mee met het „christenpesten”, zoals een andere lezer het noemde („moedig ook, je hoeft niet voor een fatwa te vrezen of een mes tussen je ribben”).

Mag Youp wat GeenStijl niet mag?

De columnist zelf mailt, op die vraag: „Dat mag de krant uitleggen.” En: „Natuurlijk wens ik die Kees niet dood, maar als hij aan Amerikanen gaat vertellen hoe gemakkelijk het zogenaamd in ons land gaat, mag ik als columnist toch aan een Amerikaan uitleggen dat we dit soort mensen als Kees afspuiten. Dat heet satire.”

Het is niet voor het eerst dat Van ’t Hek sommige lezers irriteert en evenmin voor het eerst dat hij zich satirisch verhoudt tot andermans dood of seksleven. Zie een eerdere column waarin hij de zelfmoord bekritiseerde van een leraar die „een Herman Broodje” deed. Jaren eerder, in 2004, noemde hij, uit irritatie over die krant, de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad al eens een overspelige hoerenloper.

Na die column kwam hij met een verweer én een les. Het verweer: „Ik ging ervan uit dat iedereen de column als een column zou lezen en dat men mij als cabaretier en columnist goed genoeg kent om te weten wanneer iets een verzinsel is.” De les: „Schrijf nooit een column als je boos bent.”

Sommige lessen zijn best moeilijk.

Nu een bekentenis: het zal aan mijn christelijke opvoeding liggen, die onvoldoende traumatisch is geweest, maar ik hoor bij de lezers die zich verslikten bij de column over de Van der Staaijs. Leut over afspuiten (hem) en drie keer per week bespringen (haar) heeft een onfrisse nasmaak. En de christen als kop van Jut, ooit was het gewaagd. In de jaren vijftig.

De hoofdredactie heeft Van ’t Hek altijd en consequent verdedigd, want een columnist is „geheel vrij in zijn uitingen”, schreef hoofdredacteur Folkert Jensma al in 2004. Dat geldt nu nog, al is het geen dogma: ook columnisten kunnen worden aangesproken op hun werk. Maar ingrijpen of afstand nemen is delicaat (columnisten Margriet Oostveen en, in 1990, J.A.A. van Doorn stapten op, om respectievelijk de eerste en de tweede reden).

Van ’t Hek is bovendien geen gewone columnist, heet het, hij is een gevestigd cabaretier. En een clown is een vrije speler, die schrijft wat anderen alleen denken of hooguit zeggen met een slok op aan de stamtafel.

Dat is nog steeds de lijn. Een vaste plek voor satire is dan een soort pleisterplaats in de woestijn van het wereldnieuws, waar de lezer de teugels kan laten vieren – of zich verslikken. Zoals in NRC ook al jaren een eend en een kanarie rondlopen die vergeten zijn een broek aan te trekken.

Kortom, is het argument, wie theaterzaal-Van ’t Hek betreedt, weet dat niet logica en ernst regeren, maar spot en hoon, afgeblust met moralisme en hier en daar een snik. Dat is heel Hollands. Publicist Ian Buruma wees er op dat botheid hier vaak geldt als morele deugd, onder het motto dat we liever grof en eerlijk zijn dan hypocriet. Dus ja, Van ’t Hek mag veel. In potjes-Latijn: quod non licet Jovi, licet Youpi.

Er zijn ook wel verschillen met GeenStijl, al zijn die relatief. Van ’t Hek prijkt op de Achterpagina, een vrijplaats in een serieuze krant, GeenStijl is één en al Achterpagina. Ander verschil: GeenStijl deed een oproep om seksisme uit te lokken. Van ’t Hek riep niet op het gezin-Van der Staaij rouwkaarten te sturen. Gelukkig niet.

Maar ook Van ’t Heks grappen kunnen reële effecten hebben. Zijn ‘Buckler-lul’ was in 1989, fameus, het begin van het einde van dat alcoholvrije merk. In zijn NRC-column trapte hij in 2010 een actie af tegen het bedrijf T-Mobile, wegens ondermaatse dienstverlening aan zijn zoon. NRC deed enthousiast mee: de krant zwengelde de actie stevig aan en maakte een speciaal magazine, de Help. T-Mobile bood pijlsnel excuses aan.

Ook is de maatschappelijke context voor scabreuze humor drastisch veranderd: tirades op Twitter zijn een volkskunst geworden. En ja, één winderige bezoeker in de concertzaal kan hilariteit wekken, maar in een zaal vol uitgedaagde spijsverteerders wordt de muziek toch wat lastig te volgen.

Dat heeft gevolgen voor columnisten, die niet meer opereren in het rijk der schaarste maar in dat van overvloed. Onaantastbaar zijn ze dan ook allang niet meer. Zie de nationale verontwaardiging over AD-columniste Hanina Ajarai, die zich ernstig maar ondoordacht afvroeg waarom ze wel empathie had met ‘Nouri’, maar niet met de slachtoffers van MH17. De krant distantieerde zich ervan. Columnisten zijn anno 2017 geen generaals meer, maar infanteristen met een fotootje; als ze sneuvelen zoek je andere.

Ja, behalve de man met het brilletje – die blijft buiten schot.

Reacties: ombudsman@nrc.nl