Column

Donny

Soms valt er nog een sneeuwvlokje in de smurrie van het voetbalkapitalisme. Terwijl een achttienjarig joch van Monaco voor 180 miljoen euro als prijsbeest wordt uitgehangen in de etalage van Real Madrid scoorde Donny van de Beek een hoopgevend doelpunt voor Ajax in de wedstrijd tegen OGC Nice. Natuurlijk droeg de twintigjarige middenvelder zijn succesje op aan zijn bloedgabber ‘Appie’ Nouri die in een ziekenhuis ligt weg te kwijnen.

Twintig en alreeds geamputeerd in zijn diepste emoties. Ook nog in een stad die collectief rouwt om de dodelijke raid van een terrorist. Toch blijven voetballen en scoren in een combinatie van druk en verdriet. Het hart zwaar als een doorweekte bal uit de tijd van het leren monster.

Het is een haast ondraaglijk juk. Daarnaast moet Van de Beek als Ajacied Davy Klaassen doen vergeten die een rolmodel was. Er wordt verwacht dat hij dit seizoen bevestigt als titularis, zowel in de eredivisie als in Europa. Leiderschap tonen met een rouwend hart – doe het Donny maar na. Iedere dag de kleedkamer betreden waar de leegte van Abdelhak Nouri hem steeds weer openrijt. En voor cynisme is hij nog te jong.

De weerbaarheid van Donny is moeilijk te doorgronden, al zal de liefde voor het spel helpen. Een vriend zien huilen kan ik niet, zingt Jacques Brel. Voor de klap die Nouri is overkomen helpen tranen niet eens, er is alleen woede. Straks als krachtpatser Van de Beek op de velden schittert, zal hij zich nog eenzamer voelen. Hij kan dan het geluk van een vlijmscherpe steekpass en een loeier in de kruising niet meer met zijn beste vriend delen. In dit vacuüm bloedt een jongen van twintig.

Voetballers worden gemakzuchtig weggezet als hebberige opportunisten die clubliefde inruilen voor een villa en nog hogere premies. Zeker in deze transferdagen gaat het alleen maar over geld. Het ene aanbod is nog waanzinniger dan het andere. Casinokapitalisme als stereotype. Het is een pastiche van de ware voetballer.

Er zijn ook nog jongens die de mystiek van het shirt zoeken en koesteren. Clubkleuren als een soort sacrament. Nouri en Van de Beek zijn zulke jongens. Via de jeugdelftallen zijn ze vergroeid met Ajax. Allicht komt de dag dat Van de Beek ook hunkert naar Barcelona, maar vooralsnog is Ajax zijn heimat. En rouwkelder. Ik denk dat hij in het drama van Appie nog meer Ajacied is geworden. Alsof hij nu voor twee moet spelen en schitteren. Dat hij deze donderdag in Nice de longen uit zijn lijf liep, geeft dat ook aan.

Leo Beenhakker had het jaren geleden over de patatgeneratie. Daar hoort Donny niet bij. Dat hij in deze zware omstandigheden Ajax mee op sleeptouw nam in de voorronde van de Champions League, is bijna niet uit te leggen. Lasse Schöne mag dan wel zeggen dat de bal helpt in het verwerken van verdriet, maar de bal rolt maar even, negentig minuten om precies te zijn. De rest van de dag en de nacht moet je ook nog door.

Donny van de Beek wil liever niet praten over het smartelijke lot van zijn vriendje. Die gevoelens houdt hij voorlopig achter slot en grendel. Het zou het journaille sieren om er ook niet achter te vragen. Hij zal er in de terugwedstrijd tegen OGC Nice door een volle Arena meer dan hem lief is aan herinnerd worden. In treurzangen, oerkreten en applaus. Dat een twintigjarige het dan nog droog houdt, is een mirakel.

Hugo Camps is journalist, columnist en schrijver.