Column

Biochemie met een sentimenteel sausje

In de aandachtseconomie is Zomergasten de hoofdprijs. Ik mocht afgelopen zondag drie uur lang op het hoofdpodium van ons land mijn dansje doen. In alle opzichten een groot geschenk. Ik heb een half miljoen mensen naar iets banaals als het strooien van kunstmest laten kijken. Ik heb het publiek laten kennis maken met het werk van Lynn Margulis en ook nog kans gezien om opnieuw de aandacht te vestigen op het oorlogsverhaal van mijn grootvader, dat altijd verteld moet blijven worden. Wat een invloed, wat een macht. Een grote triomf.

Toch brengt zo’n groot publiek ook de nodige dilemma’s met zich mee. Sommige dingen wil ik graag vertellen, maar zijn moeilijk op een acceptabele manier voor het grote publiek in beeld te brengen. Biochemie bijvoorbeeld. Ten eerste bestaat het relevante beeldmateriaal voornamelijk uit pratende hoofden. Ik heb tijdens de voorbereiding van Zomergasten met veel interesse naar het VPRO-programma The Mind of the Universe gekeken, waarin Robbert Dijkgraaf een toer maakt langs alle grote spannende ideeën van onze moderne tijd. Ook daar zie je de makers telkens weer tegen datzelfde probleem oplopen. Alles wat spannend is, speelt zich niet af op menselijke schaal. Dus ziet de kijker Robbert Dijkgraaf naar een boom staren, of uit het raam kijken, of achter zijn bureau zitten. Rond zijn pratende hoofd verschijnen getallen en kleuren en allerlei andere tierlantijntjes. Alles wordt uit de kast getrokken om het visueel zo spannend mogelijk te brengen, maar toch heb je het gevoel dat je om de kern heen blijft dansen, omdat je nooit ver genoeg kan inzoomen om het écht te laten zien.

Wetenschap op televisie betekent dus dat je altijd weer zit te ‘mansplainen’. Om bij het kennisniveau van het toch tamelijk intelligente en hoogopgeleide Zomergastenpubliek aan te sluiten moet je daarbij stevig door de knieën. Een neerbuigende houding, alsof je kleuterjuffrouw bent of zo’n hipsterober die een ingewikkeld menu gaat uitleggen. Wetenschap populariseren is een nobele taak, maar eindigt toch vaak in de kinderhoek waar je met legpuzzels, slingers, kralenkettingen en andere infantiele zaken aan de gang moet om de boel nog enigszins tastbaar te maken. Tot overmaat van ramp bestempelt een deel van het publiek je vervolgens onterecht tot “heel slim” (lief, dank), terwijl je hooguit een paar stukjes uit het eerstejaars biochemiecollege hebt geleend. Ik ga in de toekomst zeker nog een poging wagen, maar de juiste vorm heb ik nog niet gevonden.

Het volgende dilemma wat met het televisieoptreden mee kwam ging over iets wat ik zelf niet zo boeiend vind, maar waar het grote publiek om zit te springen. Dat zijn mijn zielenroerselen. Nederland wil heus op een brokje biochemie kauwen, maar ziet dat wel graag overgoten met een stevige saus van sentiment en Psychologie Magazine-achtig peuren in de ziel, het geheel liefst besprenkeld met wat tranen. Men wil zwijmelen en meeleven. Zomergast zijn betekent ook dat je je onderwerpt aan de analyses van een half miljoen amateurpsychotherapeuten. De vraag van presentator Jeanine Abbring of ik weleens bid kreeg ik een paar maanden eerder ook al toegestuurd bij een interviewverzoek van een maandblad. Ze wilden mij graag echt leren kennen en vroegen mij daarom wanneer ik voor het laatst gehuild had en wat mijn grootste angst was. Een nieuw interviewvoorstel deze week, van een lokale krant: of ze me mochten fotograferen terwijl ik naar mezelf in de spiegel keek. Eerste vraag van het interview: wat zie je?

Ik heb vriendelijk bedankt. Misschien vreemd, maar ik acht toch aardig wat zaken ongeschikt om met een half miljoen Nederlanders te delen, (behalve als ze een functie hebben, als ze mijn punt ondersteunen). Toch is het kennelijk onlosmakelijk verbonden met zichtbaarheid. Allerlei triviale emoties, hobby’s, de banaalste zaken van het bestaan worden ineens interessant. We weten dat een haatzaaiende politicus toch een heleboel liefde te geven heeft aan zijn kat. Een paar maanden geleden zagen we de koning huilen. We zien bij DWDD sporters vertellen over hun muzieksmaak, muzikanten over hun politieke voorkeur, politici over hun favoriete sportmomenten. Telkens weer willen we horen dat het allemaal gewone mensen zijn, met guilty pleasures, angsten, schaamtes, zwaktes. En ja, ook jonge wetenschappers liggen in al hun kleine menselijkheid weleens ’s nachts in hun bedje God te bidden om vrede en genade. Het zijn net mensen.

Er is maar één reden dat ik me eraan onderwerp. Omdat biochemie met sentimentele saus nog altijd beter is dan geen biochemie. En omdat ik het hoogste podium zoek voor mijn ideeën. Altijd.