Cultuur

Interview

Interview

Foto Frank Ruiter

Souad Boumedien: ‘Ik ben sterk genoeg om een boegbeeld te zijn’

Lunchinterview Souad Boumedien is brigadier bij de Amsterdamse politie en ambassadeur van Pride Amsterdam. „Hoe er over moslims wordt geschreven en gesproken … we worden ontmenselijkt.”

In januari van dit jaar brak Souad Boumedien (43) allebei haar handen. Ze was onderweg van Amsterdam-West, waar ze woont met haar vriendin, naar het hoofdkantoor van de politie aan de Elandsgracht, waar ze werkt. Zij, op de scooter, kreeg ineens een tegenligger op haar weghelft. Baf. Daar lag ze. Twee handen stuk. De weken verplicht niksdoen heeft ze redelijk doorstaan, zegt ze. De maanden revalidatie daarna waren lastiger. „Alle spierkracht was ik kwijt.” En om haar werk als brigadier te kunnen doen, heeft ze die kracht hard nodig.

Haar dienstwapen heeft ze net vanochtend moeten inleveren bij het depot, ze heeft te lang haar verplichte schiet-training niet kunnen doen. Daarna is ze op de fiets naar het restaurant gereden waar ze normaal gesproken alleen komt als ze wat te vieren heeft. Vis aan de Schelde, aan een druk verkeersplein bij de Rai.

Ze zit al op het terras en drinkt ginger ale uit een whiskyglas. Ze is in burger: T-shirt, lange broek, stevige schoenen. Jongensachtig stoer, en toch iets verlegen. De serveerster komt uitgebreid vertellen wat er op het menu staat en vraagt of er dieetwensen zijn.

Ze spitst haar oren bij wat klinkt als een verkeersopstootje, draait zich in haar stoel om als er hard wordt getoeterd en ontspant weer als ze geconstateerd heeft dat het om wat „macho-achtig gedoe” gaat. Van de twintig jaar dat ze bij de politie is, heeft ze er zestien op straat gewerkt. In Noord-Brabant, Rotterdam en de laatste paar jaar in Amsterdam. Haar vriendin woont er, en ze was het op en neer reizen zat. Nu zit ze al een tijdje ‘binnen’. Eerst bij het kenniscentrum eergerelateerd geweld, daarna bij het programma ‘Politie van iedereen’. Zij probeert ervoor te zorgen dat Amsterdamse agenten ook contact krijgen met burgers met andere achtergronden, gezindten of geaardheden.

Voor zichzelf kan ze alvast een paar hokjes aanvinken. Vrouw. Marokkaans. Lesbisch. En activistisch is ze ook. Ze is dit jaar een van de ambassadeurs van de Amsterdam Gay Pride, dat vanaf dit jaar Pride Amsterdam heet. Het feest wordt elk jaar in de eerste week van augustus gevierd en afgesloten met de Canal Parade, een bootoptocht door de grachten. Voor de derde keer vaart er een Marokkaanse boot mee.

Aan de tafel tegenover ons wordt een levende kreeft gepresenteerd, de klapwiekende scharen met elastiekjes dichtgebonden. „Is best lekker, hoor”, verzekert Boumedien. Maar ze kiest een hanteerbaarder stukje zalmfilet. Ze is net, met een delegatie van de Gay Pride, op bezoek geweest in Madrid. „Je denkt Madrid, grote stad, daar kan en mag alles.” En tot op zekere hoogte is dat zo, ook Spaanse homoseksuele agenten doen mee aan de Gay Pride. Alleen niet in uniform.

„En dat is een groot verschil. Hoe tof is het als de chefs meelopen in een optocht, of als de eenheidsleiding de roze-in-blauwboot een behouden vaart wenst?” Elke blijk van steun is „superbelangrijk”.

Laatbloeier

In Marokko is het nieuws van haar ambassadeurschap nogal ingeslagen. „Internet, tv, kranten.” Haar zus woont tussen Rabat en Casablanca, ze is regiodirecteur van een groot bedrijf. „Ze is trots op me, maar ook bang. Ze zegt: ‘het is een nare wereld en je bent een easy target’.”

Ze haalt haar schouders op. Goed, ze heeft de impact van haar benoeming misschien een beetje onderschat, maar de reacties vallen haar ontzettend mee. „Ik krijg mails van meiden en moeders uit Marokko dat ze het zo goed vinden wat ik doe.” En ze vindt: „Ik heb mijn plek in de samenleving gevonden. Mijn vrienden, familie en collega’s steunen me. Ik ben sterk genoeg om boegbeeld te zijn.”

Foto Frank Ruiter

Ze heeft zich, zegt ze, niet altijd zo op haar plek gevoeld als nu. Te beginnen in Groenlo, waar ze is geboren. „We waren zo’n beetje de enige allochtone familie in de Achterhoek. Ik leerde dat het hielp als ik dialect sprak. Mensen vinden het fijn als je moeite doet. Ik ben trots op m’n boerenroots.”

Haar vader had, na wat omzwervingen door Europa, werk gevonden in de kartonnagefabriek. Haar moeder was nog in Marokko, ze woonde met haar twee kinderen in bij een oom. „Haar jongste kind, een jongetje, werd ziek. Ik weet niet precies wat, maar er was iets met z’n luchtwegen. Die oom vond het niet nodig dat mijn moeder hem naar het ziekenhuis bracht.”

Het jongetje overleed op 21 september. Exact een jaar later werd Souad geboren, in Nederland, twee maanden te vroeg. „Hoe moet mijn moeder zich gevoeld hebben? Ze was hier net, ze sprak de taal niet, haar kind in de couveuse.” Na Souad kwamen nog drie jongens en een meisje. Twee zoons werken in het schoonmaakbedrijf dat hun vader is begonnen. „Mijn vader heeft een hard leven gehad, maar hij is een zachte man gebleven. Hij heeft ons altijd het beste willen geven.”

Na de middelbare school, in Enschede, ging ze naar het mbo, sociaal juridische dienstverlening, en kwam voor een stage terecht bij de politie, afdeling personeelszaken. Politiewerk leek haar ook wel wat, maar ze had nooit durven denken dat ze haar zouden aannemen. „Ze wilden me graag hebben.”

Mensen vinden het fijn als je moeite doet. Ik ben trots op m’n boerenroots

Ze moest wel eerst het ‘voorschakeltraject’ in. „Ik sprak Nederlands én dialect, ik was hier geboren en opgegroeid. En ik moest inburgeren?” Achteraf waren die drie maanden „melting pot” de beste ever. Er waren Surinaamse en Turkse collega’s, zwarte, witte én een paar lesbische dames. Daar en toen is ze uitgekomen voor haar geaardheid. „Hoe oud was ik? 23? Ik was een laatbloeier, voor die tijd voelde ik niks speciaals voor jongens en voor meisjes ook niet.” Ze knipte haar lange haren af en heeft sindsdien nooit meer een rok gedragen.

‘Ik ben hooguit cultureel moslim’

Na die drie maanden ging ze naar de ‘gewone’ politieschool, in Lochem. „En daar was ik weer de enige.” De enige niet-Nederlander en niet-hetero. Daarna, de eerste jaren in het oosten van het land en later bij de Brabantse politie werd het niet veel beter. „Het gekke is, je bent geselecteerd op het anders-zijn. Maar hoor je er eenmaal bij, dan wordt alles op alles gezet je in een malletje te proppen. Je moet en zal zijn zoals de anderen.” Dat was een teleurstelling.

„Het leek wel of sommige collega’s een ander wetboek gebruikten dan ik. We gaan Marokkanen jagen, zeiden ze dan. En: ‘Hup het land uit met ze.’ Dat zeiden ze gewoon. Ik kon alleen maar denken: hoe dan? Waar staat dat dat mag?”

Dus nee, echt welkom voelde ze zich niet. Het punt was niet dat ze vrouw en lesbisch is, of nou ja, dat óók, het probleem zat ’m vooral in haar islamitische achtergrond. Terwijl, ze is niet eens echt moslim. Haar ouders bidden, vasten en gaan naar Mekka. „Ik ben hooguit cultureel moslim. Een beetje zoals je ook Feyenoorder of Ajacied kunt zijn.”

Het heeft haar familie tijd gekost om te accepteren dat ze anders is. „Dat mag. Mij heeft het ook tijd gekost mezelf te aanvaarden. Ze zijn er nu oké mee, ze steunen me, ik kan gewoon met mijn vriendin bij ze thuis komen.” Jeanette ontmoette ze 13 jaar geleden op een van de feesten tijdens de Amsterdam Gay Pride.

Ophef

Als je Souad Boumedien hoort praten, lijkt het bijna makkelijker om homo te zijn in een moslimgemeenschap dan moslim in Nederland. „Elke buitenlander, Marokkaan, migrant of terrorist heet tegenwoordig moslim. Hoe er over moslims wordt geschreven en gesproken … we worden ontmenselijkt. Donald Trump stelt een moslimban in. Dreigt Nederland met sancties? Nee. Er gebeurt helemaal niks.”

Lees ook het lunchinterview met politievrouw Ellie Lust: “Ik heb lang het gevoel gehad dat ik iets moest compenseren”

Ze herinnert zich de ophef, toen de politieleiding besloot wijn en varkensvlees uit het kerstpakket te halen. „Heftige reacties. Alsof ik die worsten er eigenhandig uit had gevist.” Dat was twintig jaar geleden. Maar in mei van dit jaar, niet minder ophef. De Amsterdamse politiechef Pieter-Jaap Aalbersberg opperde de hoofddoek onderdeel te maken van het politie-uniform. Misschien, dacht hij, zouden er dan meer moslima’s agent willen worden en zouden de politiekorpsen in de stad iets diverser worden; nu heeft 18 procent van de Amsterdamse agenten een niet-Nederlandse achtergrond. Het was maar een idee hè, en alleen dat al maakte mensen razend. Ook bij de politie zelf. Fascinerend, zegt Souad Boumedien. En nog een keer. „Fascinerend.” Vrouwen met hoofddoeken als caissière in de supermarkt, in het ziekenhuis, op school. „Als je me achteraf zou vragen: ‘Droeg de vrouw die je zojuist hielp een hoofddoek of niet?’, dan zou ik het echt niet weten. Waar maken mensen zich druk over?”

Ze maakt grijpbewegingen met haar vingers. We kijken naar haar handen. Een van haar pinken staat scheef. Geen ringen. Om haar linkerpols een horloge, om de rechter een bandje in regenboogkleuren. Kordaat vraagt ze de rekening. Nee, nee, zeg ik, de krant betaalt. Nee, zegt zij: „Ik.” Haar argument – ze is in functie – overtuigt. Ieder de helft dan? Akkoord, zegt zij. We schudden handen. En bij het afscheid weer. Haar handen doen het weer.