Recensie

De Joods-Nederlandse identiteit was geen toonbeeld van integratie

Dit knap geconstrueerde overzichtswerk van een aantal toonaangevende historici ontkracht de mythe dat de Joods-Nederlandse identiteit een toonbeeld van assimilatie en integratie was.

De Jodenbuurt in Amsterdam door E.A. Hilverdink, 1889. Joods Historisch Museum, Amsterdam. Bruikleen Amsterdam Museum

Historicus Sigmund Seeligmann was zo onder de indruk van de bijzondere karaktereigenschappen van Nederlandse Joden dat hij hen in 1923 uitriep tot een aparte soort: de species hollandia judaica. De term doet niet geheel toevallig aan Darwins evolutieleer denken. In de loop der eeuwen waren Nederlandse Joden erin geslaagd zich de centrale Hollandse deugden eigen te maken, namelijk ‘gematigdheid’ en ‘tolerantie’. Daardoor weken zij in veel opzichten af van Joden elders in Europa. Zo vloeide het mooiste en beste uit de Nederlandse cultuur met het beste uit het jodendom samen tot de Nederlands-Joodse identiteit, concludeerde Seeligmann.

Deze bibliothecaris – die als klein kind met zijn ouders naar Nederland was gekomen – had in vooroorlogs Nederland een leidinggevende rol bij diverse Joodse instituten en drukte in die tijd een belangrijke stempel op de Joodse geschiedschrijving. De onlangs verschenen tweede editie van het standaardwerk Geschiedenis van de Joden in Nederland beschrijft zijn rol, maar meldt ook hoe een nieuwe generatie historici na de Tweede Wereldoorlog afrekende met het bij nader inzien toch niet zo fabelachtige verhaal van de Nederlandse Joden. Nergens anders in West-Europa zijn er tijdens de Holocaust relatief zo veel Joden vermoord als vanuit dat gematigde, tolerante Nederland.

Seeligmann had zijn leven lang gepleit voor de vervaardiging van een mooi groot historisch standaardwerk over Joden in Nederland. Het enige overzichtswerk uit de negentiende eeuw, van de hand van een christelijke amateur-historicus, had als onderliggende boodschap dat Joden zich moesten bekeren. In 1940 verscheen in reactie op aanzwellend nationaal-socialisme het eerste deel van een overzichtswerk dat moest aantonen welke grote bijdrage Joden hadden geleverd aan de Nederlandse samenleving. Seeligmann toonde zich content over het verschijnen ervan, hoewel hij het kritisch recenseerde. De volgende delen zijn nooit uitgebracht.

Uiteindelijk verscheen de eerste volwaardige editie van Geschiedenis van de Joden in Nederland pas in 1995. Ruim twintig jaar later is nu de tweede, herziene editie verschenen. Twee nieuwe redacteuren, Irene Zwiep en Bart Wallet, schreven kersverse hoofdstukken over de periode na 1750. De meeste redacteuren van de vorige editie mochten ‘hun’ hoofdstuk zelf herzien, mede met het oog op relevante literatuur die in de afgelopen twintig jaar verscheen. Het is een fraai uitgegeven boek geworden met twee kleurkaternen dat – hoewel duidelijk wetenschappelijk van opzet – inhoudelijk toegankelijk is voor een breed lezerspubliek.

Druk van de Inquisitie

Isaac Graanbom op de omslag van de boekenbijlage deze week, opperrabbijn van de ‘nieuwe gemeente’ van Amsterdam, ca. 1800. Collectie Joods Historisch Museum, Amsterdam. Bruikleen particuliere collectie Ole Eshuis

Sociale en politieke ontwikkelingen binnen de Joodse gemeenschap worden telkens op overzichtelijke wijze in een veelomvattend historisch perspectief geplaatst, bijvoorbeeld als het gaat over de veel geroemde Gouden Eeuw. Die begint feitelijk vanaf het einde van de zestiende eeuw, als vanuit Spanje en Portugal de immigratie op gang komt van de conversos, de onder druk van de Inquisitie tot het christendom bekeerde Sefardische Joden. In de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden keren zij terug naar het jodendom.

Vanaf 1630 komen – op de vlucht voor oorlog en pogroms – ook de veel armere Asjkenazische Joden vanuit het oosten naar de Republiek. Hoewel hun aandeel in de bevolking gering was, drukten deze ‘Hollandse Joden’ een enorme stempel op het jodendom van de vroegmoderne tijd, onder meer door de bloeiende boekindustrie. In de nationale herinnering van de zeventiende eeuw worden de verhoudingen tussen Joden en christenen nog weleens geïdealiseerd, bijvoorbeeld door politici die in de afgelopen jaren in discussies over de multiculturele samenleving ten onrechte spreken over de ‘Joods-christelijke cultuur’. Dit boek zou voor hen verplichte kost moeten zijn.

De Israëlische historicus Yosef Kaplan stelt vast dat vriendschappelijke relaties tussen Joden en christenen in de zeventiende eeuw niet uitzonderlijk waren, maar voegt eraan toe dat deze ‘niet de heersende stemming’ weergaven. De Nederlandse samenleving was er namelijk op gericht om Joden tot het christendom te bekeren. Dit leidde tot felle discussies tussen Joden en christenen. De emoties liepen hoog op, zeker onder de calvinistische elite, die zich altijd verzette tegen het verlenen of uitbreiden van rechten aan Joden. Toch stelt ook Kaplan afsluitend vast dat de Republiek voor Joden ‘bescherming bood, verdraagzaamheid en stabiliteit’. Een positieve slotsom dus, maar wel ontdaan van valse romantiek.

Voor politici die de term Joods-christelijke cultuur misbruiken is dit boek verplichte kost

Misschien wel het meest intrigerende hoofdstuk betreft de periode van 1814 tot 1870, van aan de Vrije Universiteit Amsterdam verbonden historicus Bart Wallet. Hij beschrijft hoe – nadat Nederlandse Joden in 1796 onder Franse heerschappij gelijke burgerrechten hadden gekregen – zich ‘de protestantisering’ van het Joodse leven voltrok. Het ‘Israëlitisch Kerkgenootschap’ werd opgericht als enige erkende Joodse denominatie. Ook de Portugese gemeenschap viel hieronder. Niet alleen de naam doet christelijk aan, ook de organisatievorm – met verantwoordingsplicht aan de Koning – doet in alles denken aan de tegelijkertijd opgerichte protestantse kerkgenootschappen. De rabbijnen trokken een toga aan, hielden voortaan een moraliserende preek en de voorzanger hees zich verplicht in een zijden mantel, zwarte korte broek en zwarte kousen. ‘Orde, rust en structuur werden leidend’, schrijft Wallet.

Nederlandse Joden wilden delen in nationale karakteristieken die Nederlanders zichzelf toedichtten, met als centraal ijkpunt de ‘Hollandse middelmaat’. Dit betekende dat ‘extreme’ religieuze invloeden van buitenaf werden geweerd. Zowel het progressieve Duitse Reformjodendom als het ultra-orthodoxe chassidisme uit Oost-Europa werd door Joodse bestuurders gezien als een bedreiging van ‘de eenheidsgemeente’. Om de assimilatie in de Nederlandse samenleving verder vorm te geven, werd van overheidswege het gebruik van het Jiddisj sterk ontmoedigd.

Dwingende maatregelen

Uiteindelijk besloot het Rijk in 1857 – gesteund door het rabbinaat – om subsidie voor Joodse scholen volledig te stoppen. Joden moesten gewoon samen met andere Nederlanders naar openbare scholen. Allemaal maatregelen die vooral moeten worden gezien in de context van de vorming en ontwikkeling van het Koninkrijk der Nederlanden. ‘Niet alleen Joden, maar in feite iedereen moest integreren in de nieuw gecreëerde eenheidsstaat’, schetst Wallet.

Na de Tweede Wereldoorlog keken Joden niet meer op de emancipatieperiode in de negentiende eeuw terug als iets positiefs, maar eerder als een soort zondeval van het Nederlandse jodendom. Blijkbaar was de integratie helemaal niet zo goed verlopen, zo luidde de naoorlogse conclusie, mede onder invloed van het zionisme. Hoe viel anders te verklaren dat Joden zo gemakkelijk te isoleren waren geweest van de rest van de bevolking? Was er toch niet sprake van een sterke onderstroom van antisemitisme in Nederland?

Peter Romijn, NIOD-onderzoeker en hoogleraar twintigste-eeuwse geschiedenis, beschrijft in het hoofdstuk over de Tweede Wereldoorlog hoe de ogenschijnlijke vervlochtenheid met de Nederlandse samenleving ertoe heeft geleid dat Joden minder weerbaar waren tegen ‘de radicaliteit van de vervolging’. Verzet hiertegen kwam langzaam op gang en bleef beperkt. Romijn benadrukt daarbij – mede in navolging van recent onderzoek – dat de belangrijkste reden voor het hoge percentage vermoorde Joden in Nederland uiteindelijk ligt in het feit dat, veel meer dan in België en Frankrijk, de SS in Nederland zelf de praktische zeggenschap kreeg over de Jodenvervolging.

Wallet schreef ook het hoofdstuk over de periode sinds 1945, die het meest vers in het geheugen ligt en waarover de emoties het meest oplopen. Hij levert een bijzondere prestatie door juist ook over uiterst pijnlijke onderwerpen vrij feitelijk en met functionele distantie te schrijven, bijvoorbeeld over de kille ontvangst van Joden in de jaren direct na de oorlog.

Meestal werkt Wallets aanpak goed, maar soms ook niet, bijvoorbeeld bij de paragraaf over ‘de kinderkwestie’. Het betreft hier het naoorlogse gevecht over ongeveer tweeduizend Joodse weeskinderen die tijdens de bezetting bij christenen ondergedoken waren geweest. Van staatswege werd de Voogdij-commissie voor Oorlogspleegkinderen – met daarin een belangrijke rol voor christelijke verzetsstrijders – ingesteld, die zo veel mogelijk kinderen wilde toewijzen aan christelijke pleegouders. Daartegenover stond de Joodse gemeenschap, die juist bevocht dat ze opgroeiden in een Joodse omgeving.

Wallet laat veel relevante context – die wel aan de orde kwam in de vorige editie – buiten beschouwing, waardoor minder begrijpelijk en invoelbaar wordt waarom de kwestie tot vandaag nadreunt binnen de Joodse gemeenschap. De vorige editie toont hoe nog tijdens de oorlog in een oorspronkelijk wetsvoorstel werd vastgelegd dat zelfs terugkerende Joodse ouders bij voorbaat uit de ouderlijke macht werden gezet, waarna ze voor de kantonrechter moesten bewijzen nog geschikt te zijn als ouder.

Uiteindelijk werd dit radicale voorstel ingetrokken. Dat Commissieleden mede door christelijke bekeringsdrift gedreven werden, stipt hij slechts kort en in zachte bewoordingen aan. ‘Al dan niet uitgesproken speelde bij een deel van de Commissieleden ook de overtuiging een rol dat nu wel het leven van de kinderen was gered, maar ook hun ziel redding behoefde’, zo schrijft Wallet. Onbenoemd laat hij dat het in Frankrijk en België vanzelfsprekend was dat de Joodse gemeenschap zich in beginsel zelf ontfermde over Joodse weeskinderen. In Nederland werd dat idee van de hand gewezen.

Publieke herinneringscultuur

In hetzelfde hoofdstuk beschrijft Wallet op inzichtelijke wijze de organisatorische en religieuze ontwikkelingen bij de diverse Joodse gemeenten, inclusief de conflicten tussen de orthodoxen en de liberalen. Afsluitend komt hij tot een beschrijving van de veranderende rol van de Joodse gemeenschap in publieke discussies over de multiculturele samenleving. Vanaf de jaren zestig verschoof de maatschappelijke positie van Joden van de marge naar het centrum, vooral doordat de Jodenvervolging steeds belangrijker werd in de publieke herinneringscultuur.

Wallet concludeert dat Joden in de afgelopen twintig jaar hun bijzondere positie als ‘moreel geweten’ weer verloren in openbare discussies over ‘goed en kwaad’, doordat de Tweede Wereldoorlog niet langer voor iedereen het ultieme morele ijkpunt is. Tegelijkertijd is er sprake van afnemend draagvlak voor multiculturele idealen. Joden worden tegenwoordig in discussies over de multiculturele samenleving en de integratie van minderheden – moslims in het bijzonder – vooral weer geroemd om ‘hun vermogen tot aanpassing’ en om hun ‘voorbeeldige Nederlanderschap’. De species hollandia judaica lijkt bijna wel terug van weggeweest. Zo biedt dit knap geconstrueerde overzichtswerk in ieder tijdvak via het Joodse perspectief ook een bijzondere historische blik op de Nederlandse samenleving als geheel.