Recensie

Knausgårds wereld is niet groter dan zijn schrijfhuis

De Noorse schrijver Karl Ove Knausgård werd bekritiseerd voor zijn seizoenen-reeks, waarin volgens critici te weinig zou gebeuren. Daar is onze recensent Kester Freriks het mee oneens: het laatste deel, Zomer, noemt hij ‘weergaloos’.

Na zijn grootse, zesdelige reeks Mijn strijd zwoer de Noorse schrijver Karl Ove Knausgård de roman af. Hij zou zich gaan richten op een ander genre, dat van de impressie, de vluchtige notitie, van de natuurlyriek. Met de nieuwe Vier seizoenen-reeks liet hij inderdaad de romanvorm achter zich. Nu is als slotdeel Zomer verschenen, na Herfst, Winter en Lente. De opzet getuigt van pure eenvoud: Knausgårds wereld is feitelijk niet groter dan zijn schrijfhuis in een dorp aan de kust van Zuid-Zweden. Daar is hij omringd door een tuin die alle aandacht opeist. In die tuin slaat hij zijn opgroeiende kinderen gade, brengt hen naar school, speelt met hen mee als ze een musical instuderen en vooral richt hij zijn aandacht op natuurverschijnselen.

Op miraculeuze wijze weet hij van het alledaagse grootse literatuur te maken. In Scandinavië is zijn nieuwe reeks allesbehalve goed ontvangen. Critici verwijten hem een ‘mamablog’ bij te houden. Misschien is dat bij eerste lezing waar. De lichtval op een bloem, een wolk aan de hemel, een berg wasgoed die gesorteerd moet worden op wit en bont, kinderen voor de tv of met een computerspel, de invallende duisternis, regenwormen, vleermuizen, het wilgenroosje: alles komt aan bod, ogenschijnlijk in willekeurige volgorde. Zelfs als er buiten alleen maar ‘wolkenformaties’ zijn, dan nog schrijft Knausgård: ‘Maar er waren genoeg andere dingen om te zien. De muur van seringen die in bloei staan. De zacht hellende heuvels in het noorden, die de voorbije weken werden opgelicht door witte appel- en kersenbomen.’

Al lijkt het alledaags, het is verslavend. De schrijver toont ons een leven van waarneming en van vragen, die de waarnemer zich stelt. Vooral dat laatste maakt zijn beschrijvingen uitzonderlijk. Als hij zijn kinderen observeert in hun spel of in hun slaap, dan overheerst verwondering. Wat denken ze? Hoe leiden ze hun levens? Het is intiem en gedistantieerd tegelijk. De sleutel tot Zomer is het weergaloos en vol humor beschreven literaire feest bij een uitgever in Londen. Al bij entree voelt Knausgård zich een vreemde: ‘De dame van mijn uitgeverij nam me verder mee, er was nog een kookboekenschrijfster die me wilde ontmoeten, maar toen ik bij haar ging staan, was ze druk met iemand anders aan het praten.’ Als het uiteindelijk toch tot een gesprek komt, zijn de gasten verbaasd dat Knausgård alleen ‘voor dit feest’ naar Londen komt. Het is overdreven. Van gêne en een teveel aan witte wijn valt de Noor flauw.

Toch is het meer dan een anekdote uit de literaire wereld. Knausgård heeft het idee dood te zijn geweest en is teruggekeerd. Hij schrijft: ‘De dood komt als een ogenblikkelijk niets, als een ogenblikkelijke afwezigheid van jezelf.’ Komt de dode terug in het leven, dan kan dit niet anders dan ‘zonder de levenden te begrijpen’ en ‘zonder enige verbondenheid met hen’.

In een passage als deze toont Zomer zich als een weergaloos boek. Het gaat op elke bladzijde over een man die verbondenheid en geborgenheid zoekt, met de natuur, met zijn schrijverschap en vooral met zijn kinderen. Vier jaargetijden lang legt hij daarvan getuigenis af.