Opinie

LHBTQI: een hutsekluts van hippe onzin

Het gevaar van dat praten over LHBTQI’s is dat je in de term opgesloten raakt, schrijft . „Flikker niet alle minderheden in één vergaarbak.”

Laat ik eens een knuppel in het hoenderhok gooien. Nu zie ik u schrikken. Knuppel? Hoenderhok? Is dat gepast taalgebruik, mag dat wel? U wordt collectief steeds gevoeliger voor iedere verwijzing naar sekse of gender. Nou is dat op zich een blijk van voortschrijdende beschaving, maar de argumentatie eromheen neemt gevaarlijke vormen aan. Vandaar dat ik met mannelijke kracht ingrijp.

Eerst complimenten. Dat hoort. Gelukkig ziet de samenleving nu eindelijk in dat andermans sekse in veel situaties niet relevant is en dat je er dus niet continu naar hoeft te vragen. Bestel je een stoel online, dan hoeft de verkoper niet te weten of je een man of een vrouw bent. Datzelfde geldt voor treinreizigers en stadsbewoners: in de meeste situaties doet hun sekse er niet toe. Heb het er dan ook niet over.

Lees ook de tegenovergestelde opinie van Mounir Samuel: Mijn bestaan roept ook vragen over uw wezen op

Beleid kan veel genderneutraler, aanspreekvormen en wc’s kunnen genderneutraler. Als dit besef de uitkomst is van langdurige vrouwen- en mannenemancipatie, dan is dat winst.

Maar laten we in vredesnaam niet gaan beweren dat mensen genderneutraal zijn: dat zijn ze namelijk niet. Hun sekse mag dan vaak irrelevant zijn: ze hebben haar wel. Vrijwel alle mensen zijn binair ingedeeld: ze zijn óf vrouw óf man. Transseksuelen zijn meestal net zo binair. Ze zijn bijvoorbeeld vrouw, alleen heeft hun lichaam medische hulp nodig om dat vrouw-zijn te accentueren. Ik ben zelf een man. Een man met een transverleden, mijn seksekenmerken moesten worden aangepast aan mijn mannelijke identiteit. De NS mag ieder moment ‘meneer’ tegen me zeggen. Ik ga met plezier naar de ‘heren’.

Deze zomer barst een wanhopig makende begripsverwarring los rondom sekse, gender en transidentiteit. Een hutsekluts van hippe onzin. Omdat de transseksueel daarin het onderspit dreigt te delven, wil ik graag een paar begrippen ontwarren. De wens tot een genderneutralere samenleving komt namelijk niet van de transseksuelen, en al die progressieve hoogopgeleide vrouwen die tegenwoordig bij het minste geringste over de LHBTQI-gemeenschap beginnen, om te laten zien hoe begaan ze zijn, doen de zaak van de transseksueel geen goed.

Om te beginnen moet je de begrippen ‘man’ en ‘mannelijk’ goed uit elkaar houden. Ze overlappen elkaar niet: dat de meeste mensen binair zijn, wil niet zeggen dat iedere man zich honderd procent mannelijk en iedere vrouw zich honderd procent vrouwelijk voelt. Ik ben SIRE dankbaar dat ze een campagne begint over jongens, maar wat bedoelt ze met ‘genoeg jongen’? Uit al mijn officieuze praten en lezen over het onderwerp – ik heb geen wetenschappelijke studie verricht – krijg ik de indruk dat de meeste mensen zichzelf beschouwen als een mix van zeventig procent stereotype mannelijke eigenschappen en dertig procent vrouwelijke. Of andersom.

Liever meneer dan transgender

Het tweede begrippenpaar dat je uit elkaar moet houden is dat van de (trans)identiteit en de (homo-)seksualiteit. Flikker niet alle minderheden in één vergaarbak: ik ben transseksueel, niet homoseksueel. Wees zo vriendelijk niet voortdurend te suggereren van wel. Vroeger had je wc’s voor ‘vrouwen, kinderen en gehandicapten’. Niet dat die categorieën logischerwijs bij elkaar pasten, maar zo waren de valide mannen in één klap van alle problemen verlost. Hetzelfde gebeurt nu met interseksuelen, queers en transseksuelen: de categorieën hebben weinig met elkaar te maken, maar door ze samen te voegen hebben de normale mensen alle afwijkingen overzichtelijk bij elkaar.

Het gevaar van dat praten over LHBTQI’s is dat je in de term opgesloten raakt. En dat je er nooit meer uitkomt. Dan spreekt de NS je sinds deze zomer niet langer aan met ‘meneer’, maar noemt heel hoogopgeleid progressief Nederland je opeens wel zonder enige aanleiding ‘lid van de LHBTQI-gemeenschap’ of ‘transgender’. Ik weet niet of dat vooruitgang is. Eerlijk gezegd heet ik zelf liever meneer dan transgender.

Maar doen die transseksuelen dat dan eigenlijk niet zelf? In LHBTQI-verband opereren? Zich lid van de LHBTQI-gemeenschap noemen? Ja, dat doen ze inderdaad soms zelf. En dat doen ze dan vanwege de subsidiestromen. Omdat de overheid geen zin heeft in afzonderlijke gesprekken met transseksuelen, richten die zich noodgedwongen tot de overheid via de homo’s. De homo’s hebben de netwerken, en het geld. De non-binaire genderfluïde types die hun beroep maken van hun identiteit, hebben de grootste mond en zijn bereid in televisieprogramma’s te verschijnen.

De vrouwen en mannen die een medische transitie achter de rug hebben en rustig doorleven en doorwerken, zijn onzichtbaar en gaan in de LHBTQI-hype teloor. Daarom namens hen eenmalig een reizigersbericht: dat we allemaal niet langer ‘dames’ en ‘heren’ heten is niet op verzoek van ‘de transgenders’.