Recensie

Het arbeidersparadijs bij min 50 ºC

Slavist Edwin Trommelen reisde over een door jonge idealisten aangelegde spoorlijn in Oost-Siberië die nergens toe dient, maar nog altijd een mythische reputatie geniet.

In 1974 besloot partijleider Leonid Brezjnev een drieduizend kilometer lange spoorlijn aan te leggen, die Oost-Siberië met de Stille Oceaan verbond. Deze spoorlijn, de BAM (Bajkal Amoer Magistral), liep door onherbergzame taiga’s, moerassen en gebergtes en moest het ‘grootste civiele bouwproject aller tijden’ worden. Daarnaast zou de BAM voor de aanleg van nieuwe steden en industrieën in de ontgonnen gebieden moeten zorgen. Maar daar kwam in de praktijk weinig van terecht, omdat in de Sovjet-Unie aan veel moois werd begonnen, dat nooit werd afgemaakt. Anders dan de zuidelijker gelegen Trans-Siberië Express zou de in 1984 voltooide BAM een zinloze onderneming blijken te zijn, omdat de spoorlijn amper werd gebruikt.

Toch heeft de BAM een mythische reputatie. Dat komt vooral dankzij de honderdduizenden jonge Sovjet-burgers die indertijd huis en haard verlieten om, vaak uit communistisch idealisme, in de wildernis hun leven voort te zetten onder primitieve omstandigheden. Zo werden de BAM-pioniers aanvankelijk gehuisvest in woonwagens en tenten, waarin hun oogharen ’s winters, als het kwik tot min 50 graden Celsius daalde, aan hun brillenglazen vastvroren.

Hun fanatisme fascineerde de Nederlandse slavist Edwin Trommelen zo, dat hij de trein over de BAM nam en onderweg in de pleisterplaatsen uitstapte om een antwoord te vinden op de vraag wat die mensen indertijd bezielde. Zijn boek Het rijk van de BAM is het resultaat van die reis. Behalve dat hij een levendig en soms vermakelijk inkijkje in de geschiedenis van de spoorlijn geeft, laat hij ook zien hoe het Rusland van Poetin in elkaar steekt en hoe weinig dat soms verschilt van de Sovjet-Unie van Brezjnev. Hij doet dat aan de hand van de vele gesprekken die hij tijdens zijn lange reis in treinen, dorpen en steden voert.

In 1974 verkeerde de Sovjet-Unie in een periode van relatieve welvaart, als gevolg van een hoge olieprijs. Net als onder Poetin bestond er ook toen een sociaal akkoord tussen de bevolking en de staat, waarin je een vrij zorgeloos leven kon leiden, zolang je je mond maar hield. Maar naarmate de jaren voorbijgingen, ontstond er opnieuw gebrek. Behalve uit idealisme meldden velen zich daarom bij de BAM in de hoop op een beter bestaan. Zo heeft Trommelen het over BAM-arbeiders uit Litouwen, die bij terugkeer een cheque voor een – in de Sovjet-Unie schaarse – auto en een woning kregen. Daarnaast waren de salarissen bij de BAM hoger dan in de rest van het land en was er een overmaat aan goedkoop voedsel te krijgen. Voor sommigen leek de BAM dan ook het paradijs van het communisme.

Opvallend is dat er in de BAM-musea die Trommelen bezoekt volop aandacht is voor de Stalinterreur. Begin jaren dertig had de dictator in het Verre Oosten een begin gemaakt met de ‘Kleine BAM’. Voor arbeidskrachten kon hij daarbij putten uit goelagkampen, die met dat doel langs de route waren aangelegd. In die musea ontdekt Trommelen ook dat de Grote Terreur van 1937-1938 niet aan de BAM voorbij is gegaan, gezien het grote aantal geëxecuteerde arbeiders en ingenieurs in die jaren.

Het zwaartepunt in Het rijk van de BAM ligt echter bij de idealisten van de jaren zeventig, die meestal afkomstig waren uit de Komsomol, de communistische jeugdorganisatie. In geuren en kleuren vertelt Trommelen over hun wederwaardigheden. Hij doet dat met zoveel inlevingsvermogen dat je ineens begrip krijgt voor hun streven om mee te helpen aan de opbouw van een nieuwe wereld waarin de mens vrij en gelukkig zou moeten zijn.