Fooi

Deze week schrijft Anne Hermans over haar praktijk op het platteland van Nieuw-Zeeland

Haar mascara loopt in twee verticale strepen, als tralies, over haar wangen. Ze snuit haar neus en veegt met haar mouw een paarse haarlok uit haar gezicht. „Ik weet dat het de goede beslissing was. Hij hangt op de bank en blowt. En als ik hem erop aanspreek, krijgt hij een woedeaanval.” Ze aarzelt even, staart uit het raam. „En ik maar werken. Terwijl ik continu rugpijn heb. De enige twee uur per dag dat ik dat ik rust heb, zijn net nadat ik mijn morfine heb genomen.”

We voeren ons eeuwige gesprek over haar medicatie: dat morfine lijkt te werken op korte termijn, maar verslavend is en je steeds meer nodig hebt voor hetzelfde effect. Zoals elk consult citeer ik het advies van de pijnspecialist. En heel even droom ik weg, stel me voor hoe het zou zijn om zelf de pijnspecialist te zijn. Hij ziet geen patiënten, stuurt alleen adviesbrieven naar huisartsen: ‘Stop de morfine onmiddellijk, want er is geen enkel wetenschappelijk bewijs dat morfine helpt voor chronische pijn.’ Ik zie hem voor me, hoe hij met de benen op tafel de hele dag theoretische wijsheden dicteert aan zijn secretaresse. Híj zit niet dagelijks tegenover wanhopige patiënten.

„… is het uurloon in ieder geval beter in mijn nieuwe baan”, besluit ze. Gegeneerd besef ik dat ik een stuk van haar verhaal gemist heb. We bespreken de beperkte vergoedingen om een psycholoog te zien. Ik schrijf haar de morfine voor. En zoals na elk consult ben ik opgelucht dat ik de dosis in ieder geval niet verhoogd heb.

Vier uur later, speurend door de wijnkaart van The Crab Shed, lijken chronische pijn en morfine ver weg. Eindelijk een oppas gevonden en samen een avondje uit. Uitgelaten maken we plannen voor mountainbike-tochten, als ik plots in mijn ooghoek een bekende paarse lok zie.

Met een lege blik staat ze achter de bar en draait een wijnglas rond in een theedoek. Ik ruk mijn blik los, probeer enthousiast mee te mijmeren over het boerderijtje dat we ooit willen kopen. Maar alle lol is weg. „Wat is er?”, vraagt Bjorn. Zoekend kijkt hij om zich heen. „Het zou ook wel fijn zijn als er eens iemand langskwam. We zitten hier al een half uur.” Hij kijkt in de richting van de paarse lok. „Wat staat die daar bijvoorbeeld te suffen?” Als ze eindelijk naar onze tafel komt, wordt het van kwaad tot erger. Ze morst de wijn over zijn mouw, brengt het verkeerde hoofdgerecht en het ijs is half gesmolten als het onze tafel bereikt. Ik zie zweet op haar voorhoofd verschijnen en zou het liefst in mijn stoel verdwijnen. Als Bjorn twee uur later de rekening vraagt en tegen me zegt; „Geen fooi. Dat lijkt me duidelijk”, grijp ik hem bij de arm. „Loop jij maar vast naar de auto. Ik regel het wel.”

Frits Abrahams heeft vakantie.