Recensie

Een boze baby leest heimelijk de krant

Een baby kijkt terug op zijn vorige leven als kampbeul. Een absurd gegeven dat heroïsch wordt uitgewerkt.

Illustratie Paul van der Steen

Hoewel een lezer van fictie in zijn achterhoofd houdt dat wat hij leest verzinsels zijn, is hij bereid er tijdelijk in te geloven. In zijn eigen belang speelt hij het spel met de auteur mee en deelt hij in de illusie. In ruil voor zijn goedgelovigheid eist hij wel een schijn van realiteit.

De eerste honderd bladzijden van Andersen, de nieuwe roman van Charles Lewinsky, worden verteld door een nog ongeboren kind. Het laatste wat hij zich herinnert is dat hij een Duitse kampbeul was, die zich opmaakte een valse identiteit aan te nemen om aan naoorlogse vervolging te ontkomen. Het was zijn taak mensen te verhoren, dat wil zeggen ze door marteling aan het praten te krijgen. Hij was minder een sadist dan een meedogenloze pragmaticus, die in zijn ‘werk’, zoals in alles, de beste wilde zijn: ‘Uiteindelijk is alles in het leven een kwestie van dominantie.’ Diezelfde oorlogsmisdadiger is hij in de geest nog altijd – alleen bevindt hij zich nu in de gevangenis van een baarmoeder. Rationeel reconstrueert hij wat er gebeurd moet zijn: kennelijk bestaat er toch zoiets als wedergeboorte, waarbij zielen volgens een economisch principe worden hergebruikt, en heeft er een soort ‘bedrijfsongeluk’ plaatsgevonden waardoor zijn herinneringen aan zijn vorige leven niet gewist zijn. Mogelijk gebeurt zoiets vaker – dat zou wonderkinderen als Mozart verklaren. Al is het voor deze kille narcist een ‘onwaardige toestand’ om als hulpeloze baby ter wereld te komen, hij is toch te nieuwsgierig naar de volgende ‘rit in de carrousel’ om zijn medewerking aan zijn wedergeboorte te weigeren.

Na de bevalling doet hij zijn best zich te gedragen zoals het een baby betaamt (hij is bang voor de gevolgen als de waarheid zou blijken), maar het kan zijn omgeving niet ontgaan dat Jonas een vroegwijs, nors kereltje is. Hij voelt een diepe minachting voor de volwassenen die zich over zijn wieg buigen, en als éénjarige op de crèche leest hij heimelijk de krant.

Verrassende plotwendingen

Lukt het Lewinsky de lezer mee te slepen in deze illusie? Ja en nee. Door de enorme vaart van het verhaal houdt hij de scepsis op afstand, maar zodra je het boek even weglegt, is de betovering verbroken. In wedergeboorte geloven is weliswaar niet al te moeilijk – miljoenen mensen doen het. Dat een eerder geleefd leven niet goed uit een geheugen gewist is – vooruit, we hebben allemaal weleens een déjà vu. Dat Jonas zich alles van zijn vorige leven herinnert tot het moment dat hij een valse identiteit aannam, en daarna volstrekt niets meer, is wel heel merkwaardig, maar een schrijver die een krachttoer uithaalt, verdient enig krediet.

Lewinsky’s grootste uitdaging is echter je te laten geloven in een verteller die de geest van een volwassene combineert met het lichaam van een kind. Dat veronderstelt een strikt dualisme van lichaam en geest en je kunt alleen maar verdoezelen dat zoiets onhoudbaar is door veel ongewis te laten. Het probleem is dat Lewinsky geen schrijver is die genoegen neemt met een dromerige sfeer, maar helder en concreet wil zijn. Jonas gruwt van de ‘vette koemelk’ die zijn moeder produceert. Dat is ongerijmd, want hij heeft het spijsverteringssysteem en de smaakpapillen van een baby. Ondanks zijn tegenzin drinkt hij van de tepel omdat, naar hij zegt, de zuigreflex van zijn lichaam sterker is dan zijn geest. Ook dat is vreemd, want terwijl alle baby’s huilen als ze pijn hebben, weet Jonas dergelijke reflexen nu juist met het grootste gemak te bedwingen. Ook onwaarschijnlijk is dat hij walgt van zijn moeders borst. Aangezien onze zuigeling vrouwen met de wellustige blik van een volwassen man bekijkt en hij niet de geringste moederbinding voelt, zou het logisch zijn als zijn moeders borsten hem erotisch zouden prikkelen. Maar dat vond Lewinsky kennelijk wat te ver gaan. Hij heeft Jonas daarom een herinnering meegegeven aan een oude hoer met verschrompelde borsten, die moet verklaren waarom zijn moeders jonge, volle borst hem in dit leven zo afstoot. Dat is absurd, temeer omdat hij de borsten van zijn moeders beste vriendin wél aantrekkelijk vindt. Zo probeert Lewinsky de inconsistenties in zijn verhaal weg te poetsen, en maakt de vlek al doende groter.

Trotse vader

Het verhaal wordt afwisselend verteld door Jonas en zijn vader, die een dagboek bijhoudt. De onwetendheid van de trotse vader is aanvankelijk amusant, maar Lewinsky knipoogt net iets te vaak achter de rug van zijn personage naar de lezer. Op zijn twaalfde verlaat Jonas het ouderlijk huis, zonder een spoor na te laten. Hij gaat op zoek naar de afstammelingen van zijn vorige leven, vindt zijn kleinzoon, die even oud is als hij, en komt, handelend op een wijze die volstrekt in tegenspraak is met zijn karakter, aan zijn einde.

Al heeft Lewinsky zich vertild aan het groteske gegeven van een volwassen baby met de herinneringen van een oorlogsmisdadiger, het moet gezegd dat zijn falen iets heroïsch heeft. Respect voor zijn ambitie. En dat een roman met zo’n krankzinnige premisse niet verveelt, is echt knap. Maar na het lezen schud je toch vooral het hoofd bij de gedachte aan de moeite die dit boek hem gekost moet hebben.