De ‘roofbaronnen’ van de 21ste eeuw

Monopoliebeleid

Moeten de internetreuzen, net als schoolvoorbeeld Standard Oil, worden opgeknipt? In tijden van protectionisme lijkt dat onwaarschijnlijk.

Een spotprent getiteld ‘The Monster Monopoly’ over Standard Oil, uit circa 1884 Foto Getty Images

John D. Rockefeller, een van de bekendste rijkaards uit de geschiedenis, is overal in Nederland. Wie bij Esso tankt, gebruikt benzine van een bedrijf dat direct afstamt van zijn Standard Oil Company. Wie boos is op de Gasunie, omdat een beving scheuren in het huis veroorzaakte, is boos op een bedrijf dat voor een deel in handen is van een nazaat van Standard Oil. Gaat er olie van Mobil in de auto: zonder Rockefeller was het merk er niet geweest. Chevron zit groot in Nederland, al heeft het inmiddels het gebruik van de merknaam Texaco voor tankstations verkocht. Het concern is nog terug te vinden in de merknaam van Esso zelf: S-O, Standard Oil. En zelfs het Britse BP bestaat voor een groot deel uit een van Rockefellers nazaten, Amoco, waarmee het in 1998 samenging.

Het is moeilijk voor te stellen dat de alomtegenwoordigheid van deze verschillende energiegiganten ruim een eeuw geleden samen viel in één reusachtig bedrijf. Hoewel? Kijk naar een concern als Alphabet, de moeder van Google, en het wordt opeens een stuk makkelijker.

Ontbonden en opgedeeld

Standard Oil groeide door listig zakendoen van Rockefeller en zijn partners aan het einde van de negentiende eeuw uit tot een bijna-monopolie, dat door zijn schaalgrootte zijn concurrenten wegdrukte of inlijfde. Het marktaandeel in Amerika piekte op negentig procent.

Zo dominant was Rockefellers creatie, dat de Amerikaanse autoriteiten, na slepende procedures en rechtszaken, in 1911 Standard Oil ontbonden en opdeelden in tientallen kleine olie-, raffinage- en transportbedrijven. Rockefeller werd daar overigens nóg rijker van, omdat deze som der delen veel meer waard bleek dan Standard Oil in zijn geheel. Vandaag leven er in grote lijnen nog drie nazaten van Standard Oil: ExxonMobil (een fusie tussen wat oorspronkelijk Standard Oil of New Jersey en Standard Oil of New York was). Chevron (voortgekomen uit onder meer de Standard Oils van Californië en Indiana). En BP, dat via Amoco onder meer de resten van de Standard Oil’s van Ohio en Kentucky bevat.

De zaak tegen Standard Oil is nog steeds een baken voor het moderne mededingingsbeleid in het Westen, dat er in zekere zin mee begon. Net als de opdeling van het landelijke telefoonmonopolie van AT&T (‘Ma Bell’) in de Verenigde Staten in 1984, die een trits met elkaar concurrerende regionale maatschappijen opleverde, de zogenoemde ‘Baby-bells’.

Reusachtige verzameling data

Het is dan ook geen toeval dat Standard Oil en AT&T met enige regelmaat worden aangehaald als mogelijke oplossing voor de belangrijkste mededingingskwestie van deze tijd: de dominantie van vijf internetbedrijven in hun eigen respectievelijke markten. Alphabet-dochter Google, webshop Amazon, het sociale medium Facebook, het reservaat Apple, en softwarereus Microsoft. Op al deze machtposities posities is wat af te dingen, maar in één opzicht zijn de vijf overweldigend groot. En dat is de reusachtige verzameling data die zij hebben over hun gebruikers.

Eind negentiende eeuw was in de VS de tijd van de robber barons, de roofbaronnen van het ontluikende en ongetemde kapitalisme, waar politiek en samenleving nog geen antwoord op hadden. De vergelijking met de Grote Vijf van de technologiesector dringt zich op.

Hoe groot zijn de bedrijven die worden aangeduid met ‘The Frightful Five’? NRC-redacteur Wouter van Noort laat het je in deze video zien.

Moeten zij, in de geest van Standard Oil, worden opgedeeld? Internet is een schoolvoorbeeld, en vermoedelijk ook mede-oorzaak, van de zogenoemde ‘winner takes all’ (of ‘winner takes most’)-economie. Netwerkeffecten veroorzaken dat degene die wint, blijft winnen, zelfs zonder vals te spelen. Daarom hoeft het niet te verbazen dat er vanzelfsprekend monopolies of oligopolies ontstaan.

Rockefeller kwam erachter dat zijn Standard Oil, eenmaal opgedeeld, nog veel meer waard was dan het geheel. Maar bij netwerkbedrijven gaat dat niet op. Integendeel: vier afzonderlijk concurrerende kleine Facebooks zijn vermoedelijk samen minder waard dan één groot Facebook. Juist het feit dat iederéén er gebruik van maakt, maakt het sociale medium steeds aantrekkelijker.

Toch zal er iets moeten gebeuren. Dat heeft niet alleen te maken met de macht van internetgiganten, of ze die nu willen of niet, over bijvoorbeeld de nieuwsvoorziening, meningsvorming, massa-informatie en uiteindelijk misschien zelfs de democratie. Hoe nieuw en apart de concentratie in de interneteconomie ook is, er zijn effecten die hetzelfde blijven als ruim een eeuw geleden. Als vijf bedrijven alleenheerser zijn over hun eigen markt, en die vijf samen het internet domineren, dan valt de prikkel om te innoveren weg. Dan kun je heel avontuurlijk doen met zelfsturende auto’s of mijnbouw op astroïden, maar intussen de huis-tuin- en keuken-innovatie vergeten.

Dat leidt naar een van de paradoxen van deze tijd: terwijl we ons in een tijdperk wanen van duizelingwekkende technologische vooruitgang, stagneert de productiviteitsgroei. Loonstijgingen blijven laag, en centrale banken halen alles uit de kast om de inflatie op te stuwen. Een van de (vele) redenen voor dit fenomeen wordt gezocht bij een achterblijvende innovatie die het gevolg is van monopolievorming in het meest dynamische deel van onze economie: de tech-branche.

Zero-sum game

Toch maar opbreken, die internetgiganten, zodat de baby-googles, baby-facebooks en ander kroost straks tegen elkaar kunnen concurreren? Afgezien van allerlei praktische bezwaren is er dan nog steeds het politieke klimaat van nu. De vijf reuzen zijn alle Amerikaans. De tijd dat de VS zich verantwoordelijk voelden voor de wereldeconomie, en de wereldpolitiek, lijkt ten einde te lopen. Een ingreep ten bate van het internationale ‘publieke goed’, door de concurrentie tussen (en binnen) de internetgiganten op te stoken, is verder weg dan ooit. Data zijn een strategisch goed, cyberkennis is een militaire ‘asset’. Handel is, in de geesten van de huidige bewoners van het Witte Huis, een zero-sum game, waarbij de winst van de één het verlies is van de ander. In de vrije wereld van de globalisering keren de nationale grenzen weer langzaam terug.

Dat levert een klimaat op waarin de VS hun eigen internetgiganten vooral zien als kostbaar bezit en een instrument van macht. De kans dat deze concerns vrijwillig worden opgedeeld, en daardoor aan macht verliezen, lijkt bijzonder klein.

China heeft, in isolement, zijn eigen internetgiganten opgekweekt. Zou Europa dat ook moeten doen? Dat zou een fragmentatie van het web vergen, waarbij de googles en facebooks van de markt worden geweerd ten bate van nieuwe Europese kampioenen. Dat lijkt ondenkbaar en onwenselijk. Maar als de afgelopen jaren iets geleerd hebben, is het dat het ondenkbare zomaar zou kunnen gebeuren.