Data zijn duur

Data worden zo ijverig verzameld omdat ze goedkoop zijn, hoorde ik laatst een ambtenaar zeggen. Dat klonk logisch. Toch denk ik zelf dat ze zo ijverig worden verzameld omdat ze duur zijn. Dat klinkt namelijk nog logischer. Data zijn niet onstoffelijk, je moet ze produceren, opslaan, transporteren en distribueren: alleen al met die fysieke rompslomp is mateloos veel geld gemoeid. En dan moeten het analyseren en investeren nog beginnen.

Dataficering is dus allereerst een lucratief bedrijf. Neem een analoog kind en tover dat om tot een digitaal kinddossier: nu heb je opeens apparaten nodig, meetsystemen, accounts, opslag-servers, analysesoftware, netwerken. Vertaal een persoon in persoonsgegevens, een patiënt in elektronische mappen, een briefje van tien in financiële data en je hebt bedrijfsmatige infrastructuren nodig. Dataficering is big business.

Waarom kijken moderne artsen niet langer naar hun patiënt maar naar hun computer? Omdat ze druk in gesprek zijn met bedrijven die, letterlijk achter de schermen, met de patiëntgegevens aan het werk gaan. In de spreekkamer, in de kilometerteller van je auto en in alle klaslokalen zitten opeens bedrijven die er tot voor kort niet zaten. Hoe meer data je maakt, hoe meer economische bedrijvigheid er is.

Nu had je vroeger natuurlijk ook data. Wetenschap, recht en bestuur hebben de werkelijkheid altijd al naar een informationele werkelijkheid vertaald – gegevens verzameld over de wereld, categorieën en ordeningen aangebracht, profielen geschetst. Maar de informationele werkelijkheid waarmee zij kwamen aanzetten was grotendeels publiek en openbaar. Kennis, wetten, geld en beleid waren publieke middelen.

De eerste stap in de moderne revolutie is de privatisering van alles. We noemen de nieuwe grootmachten niet alleen Googlonia en Facebookistan omdat zulke bedrijven een omzet hebben waarmee ze landen evenaren, maar vooral omdat ze functies van staten overnemen. De publieke middelen worden privaat. Techgiganten zijn eigenaar van de infrastructuur, ze downloaden burgers, ze vervangen publiek geld door privaat geld en ze leggen onbekende, private normen op via software. Hun wereldmacht is niet alleen economisch, maar ook politiek.

De eerste stap in de moderne revolutie is de privatisering van alles

Nu is het uiteraard fijn dat bedrijven kansen zien in nieuwe technologieën. Maar het is minder fijn dat democratieën hun politieke macht zo snel uit handen geven. Het maken van data en algoritmes is politiek werk: je definieert menselijk gedrag en kiest in welke richting je dat gaat bijsturen. Over de ideologieën van Amazon, Microsoft en Apple zou je daarom een gesprek in het parlement willen voeren. Maar gesprek, zeggenschap en controle zijn er niet.

De macht van de technologiebedrijven heeft daardoor nu al grote totalitaire potentie. Het kan zijn dat Google de militaire technologie van Boston Dynamics uit jeugdige nieuwsgierigheid heeft aangeschaft, het kan zijn dat het bedrijf het DNA van burgers verzamelt uit wetenschappelijke bevlogenheid, maar de optelsom van militaire macht en greep op de wereldbevolking noopt tot wantrouwen. Of op zijn minst tot publieke bemoeienis.

En de tweede stap in de revolutie? Die wordt gezet als data zich binnenkort met behulp van kunstmatige intelligentie verzelfstandigen. Kennis, wetten en beleid zijn dan niet langer publiek, niet langer privaat, maar autonoom. Misschien kunnen we daarover in het parlement ook alvast eens iets zeggen.

Maxim Februari is jurist en columnist.