Column

Toeters en bellen

Deze week schrijft huisarts Anne Hermans over haar praktijk op het platteland van Nieuw-Zeeland.

‘Dus dan ga je zo weer naar het ziekenhuis”, schreeuwt de dochter in haar moeders oor, terwijl ze liefkozend over haar grijze haren strijkt. „Daar geven ze u antibiotica over het infuus en binnen een paar dagen bent u er weer bovenop.”

Mrs. Wilson opent haar lippen, aarzelt, en sluit ze dan weer. Haar ingevallen ogen kijken me vragend aan. Haar dochter lijkt het niet op te merken: „Goed, dokter. Belt u de ambulance om haar daarheen te brengen? Want we kunnen beter geen tijd verliezen.”

Ik ga op het bed zitten. „Ik wil toch nog even met uw moeder praten.” En richt me tot de 96-jarige dame, een bleke schim tussen de witte lakens. Ze is doof, weegt naar ik schat nog maar zo’n veertig kilo en is haar slaapkamer al maanden niet meer uit geweest. De afgelopen twee dagen heeft ze nauwelijks iets gegeten of gedronken. „Naar het ziekenhuis gaan is inderdaad één van de opties. En wie weet lukt het daar inderdaad om u met antibiotica over het infuus door deze longontsteking heen te slepen. Maar niemand kan dat voorspellen. Soms betekent het dat u met veel toeters en bellen naar het ziekenhuis gaat, maar dat u toch niet beter wordt. En sommige mensen kiezen er in uw geval voor om in hun vertrouwde omgeving te blijven. Wij zouden dan natuurlijk zorgen dat u zich niet benauwd voelt en geen pijn hebt en kunnen kijken of u het redt met antibiotica in tabletten.”

Mrs. Wilson zwijgt. In de stilte die valt, vult haar zware ademhaling het vertrek. „Het is wel goed”, fluistert ze dan. „Ik blijf wel…”

Verontwaardigd springt haar dochter op. „Ze kan nauwelijks slikken. Ze heeft vocht nodig”, snauwt ze me toe. Ze pakt haar moeders hand. „De beste kans op overleven is in het ziekenhuis, mam. Je weet dat de kleinkinderen op vakantie zijn. Over twee weken zijn ze terug. Zo lang kun je het toch nog wel voor ze volhouden?”

Haar moeder zucht. „Kies jij maar, Sharon. Jij weet vast wat het beste is.”

Ik schud mijn hoofd. „Nee, Mrs. Wilson. Het is úw leven. Het is uw keus. En ik vind dat u geen druk van niemand zou moeten voelen om die keus voor uzelf te maken, niet van dokters of verpleegkundigen, maar ook niet van uw familie.” Ik kijk de dochter aan. „Het spijt me, maar ik wil uw moeder echt even alleen spreken. Want dit is toch echt haar beslissing.” „Oké, oké”, met tegenzin doet ze een stap naar de deur, draait zich dan om. „Echt, mam, je denkt dat het ziekenhuis heel ver weg is, maar het is maar een uurtje rijden. En na die longontsteking vorige maand ben je toch weer weken fine geweest?”

Haar moeder knikt. Als haar dochter de kamer uit is, kijkt ze me aan. „Fine”, mompelt ze. Een flauwe glimlach trekt over haar gezicht. „It’s been fine indeed.”