Kan Europa een volgende crisis aan?

Hoogconjunctuur

Het gaat laaiend goed met Duitsland. Maar dat geldt nog niet voor de hele eurozone. En de inhaalslag met de VS duurt nog lang.

Illustratie Pepijn Barnard

Mooi nieuws uit Duitsland: deze week bleek dat het bedrijfsleven daar nog nooit optimistischer was dan nu. De zogenoemde Ifo-indicator, bijgehouden door het gelijknamige wetenschappelijke instituut in München, bereikte de recordwaarde van 116. Alles boven de 100 betekent economische expansie, dus 116 is inderdaad uitzonderlijk goed.

Reden voor het Ifo om de Duitse stemming ‘euforisch’ te noemen. Bouw en industrie doen het uitstekend, consumptie en investeringen lopen op en de export loopt als een trein. Dat geldt, in zekere zin, ook voor Nederland. Hier keert het producentenvertrouwen terug naar de recordwaarden van vlak voor de financiële crisis. En ook voor de rest van de eurozone ziet het er, in grote lijnen, goed uit.

Het Internationaal Monetair Fonds (IMF) liet deze week, na een periodiek onderzoek van de Europese economie, weten een groei te verwachten van 1,9 procent dit jaar, gevolgd door 1,7 procent in 2018. Het jaar daarop is de zogenoemde ‘output gap’ in de eurozone dicht. Dat betekent, grof gezegd, dat alle productiefactoren in de economie dan volledig worden benut.

Europa versus Amerika

De stemming in Europa staat ogenschijnlijk in contrast met die in de Verenigde Staten. Daar heerste begin dit jaar nog een groot optimisme over de ‘Trump bump’: de combinatie van grootscheepse lastenverlichting en enorme investeringen in de infrastructuur. Die zouden de economie een forse impuls gaan geven – al draagt lastenverlichting voor rijke Amerikanen daar in werkelijkheid weinig toe bij.

Nu blijkt dat er van alle plannen voorlopig niets komt. Het droeg eraan bij dat het IMF maandag zijn prognoses voor de Amerikaanse economische groei flink terugschroefde, met 0,2 procentpunt voor 2017 en 0,4 procentpunt voor 2018. Die voor de eurozone gingen juist omhoog, met respectievelijk 0,2 en 0,1 procentpunt.

Draaien de rollen nu om? Uit de verwachtingen mag niet de conclusie worden getrokken dat ‘Europa’ het nu beter doet dan ‘Amerika’. Want nog steeds is de Amerikaanse groei dit jaar hoger dan de Europese: 2,1 procent tegen 1,9 procent. Volgend jaar wordt het gat zelfs iets groter: 2,1 procent tegen 1,7 procent. Bovendien heeft Europa nog wat in te halen. De economische schade van de financiële crisis was hier veel groter, en het herstel duurde langer dan in de VS. Gerekend vanaf 2007 is er nu een ‘groeigat’ van maar liefst 8 procent in Europees nadeel.

Groeigat

Een inhaalslag is dan ook een betere definitie van waar de eurozone mee bezig is, dan een demarrage. Dat is ook te zien aan de aandelenbeurzen, waar het winstniveau van Amerikaanse ondernemingen, mede dankzij het groeigat, al lang hoger ligt dan dat van Europese. Hoewel een begrip als ‘winst per aandeel’ zijn manipulatieve kanten heeft, verklaart dat voor een deel waarom Amerikaanse aandelenindices de records aaneenrijgen, en de Europese nog lang niet. De Eurostoxx noteerde donderdag 3489 punten – 22 procent onder zijn piek van vóór de crisis.

De juichstemming staat niet helemaal in verhouding tot de realiteit. De huidige hoogconjunctuur in het Westen kenmerkt zich door zeer lage groeicijfers. Duitsland liet vóór de crisis regelmatig groeicijfers zien van boven de 3 procent, de Verenigde Staten nog veel vaker: tussen 1992 en 2002 bedroeg de gemiddelde economische groei daar 3,4 procent.

Wat zegt het als het Duitse bedrijfsleven ‘euforisch’ is, de indicatoren op recordniveau staan, maar de verwachte economische groei in het land nog geen 2 procent bedraagt? Dat geldt ook voor de eurozone als geheel.

De grote verwarring

De kennelijke stroperigheid, die terug te vinden is in een zeer bescheiden groei van de productiviteit, openbaart zich ook in de inflatie. Die is, ondanks ongebruikelijk lage rentes en door steunaankopen opgeblazen balansen van de centrale banken, nog steeds niet waar de centrale bankiers haar willen hebben: slechts 1,3 procent in de eurozone en 1,4 procent in de Verenigde Staten. Het resulteert in grote verwarring over het te voeren monetaire beleid.

Moet het inflatiedoel van centrale banken worden verhoogd van de huidige 2 procent naar 4 procent? Zo kan worden voorkomen dat centrale banken bij een volgende recessie meteen weer in het domein verzeild raken van nulrentes, of negatieve rentes. Het geeft ze dan meer bewegingsvrijheid voor later.

Of moeten we accepteren dat de inflatie laag blijft? Dat daardoor soms negatieve rentes zouden voorkomen, zou dan een normaal verschijnsel worden. Of moeten centrale banken sturen op de ‘nominale groei’ van de economie: volumegroei plus inflatie, dus? Dat zou ze een zeer actieve rol geven in het management van de macro-economie, dat wellicht strijdig is met hun officiële taakomschrijving (prijsstabiliteit).

Het probleem is dat centrale bankiers eigenlijk niet weten of de uitzonderlijke situatie waarin de economie verzeild is geraakt, tijdelijk is of permanent.

Worden we sterk genoeg?

Er zijn meer onopgeloste problemen. De werkloosheid staat nu in de Verenigde Staten officieel op 4,4 procent van de beroepsbevolking. Maar schijn kan bedriegen: de participatiegraad van de volwassen bevolking is slechts 62,8 procent, terwijl die voor de crisis boven de 66 procent was. Dat wijst op een verborgen poel van potentiële werknemers die ontmoedigd zijn.

In de eurozone lopen de werkloosheidscijfers sterk uiteen. Duitsland heeft een werkloosheid van nog maar 3,8 procent gemiddeld in 2017, voorspelt de OESO. In Nederland is dat 5,2 procent. Maar in Frankrijk bedraagt de werkloosheid 9,7 procent, in Italië 11,5, in Spanje 17,5 en in Griekenland meer dan 22 procent. Niet alleen is de hoogconjuctuur in de eurozone niet zo hoog als voorheen normaal was. De hoop dat de huidige gunstige periode ervoor zorgt dat de eurolanden naar elkaar toegroeien, lijkt vooralsnog tevergeefs.

Dat is ook te zien bij de staatsschuld, die in het noorden van de eurozone alweer neigt naar 60 procent of minder, terwijl in het zuiden de schulden onverminderd hoog zijn, met 100 procent (of veel meer). Dat laatste geldt overigens ook voor de Verenigde Staten.

En dat terwijl er van deze periode van gunstige economische groei nogal veel af hangt. Want bij elke hoogconjunctuur dient te worden gevraagd of zij fors en lang genoeg is om de economie afdoende voor te bereiden op de neergang die onvermijdelijk komt. Het antwoord op die vraag is vooralsnog: nauwelijks.