‘Iedereen trekt zijn handen van je af’

Gezin zonder thuis

Kimmy Özmen zit met haar twee kinderen al een jaar in een opvanghuis voor gezinnen. Daarvoor woonde ze zes maanden in een kelderbox.

Foto: Olivier Middendorp

Als tiener nam ze onder schooltijd met een vriendin de trein van Enschede naar Amsterdam. Dan ging ze shoppen in de Kalverstraat en na twee uurtjes weer terug naar huis. Ze vond de mensen in het westen openhartiger dan in het oosten. De drukte, de gezelligheid. „Véél leuker.” Kimmy Özmen kan er achteraf om lachen.

De 28-jarige Özmen, moeder van twee kinderen, vertelt erover in de tuin van een daklozenopvang voor gezinnen. Een ruim complex van stichting HVO-Querido midden in een rustige wijk in Amsterdam-Buitenveldert. In de gezamenlijke woonkamer kijkt een stel kinderen op een groot scherm naar Nickelodeon. Er is een gezamenlijke keuken, met sloten op elke koelkast. Een ruime garderobe met ingezamelde kleding en schoenen, beschikbaar voor bewoners. En op elke gang met eigen kamers staat in de hoek wel een aantal kinderwagens geparkeerd.

Özmen was negentien jaar toen ze via internet een jongen leerde kennen en in Amsterdam ging wonen. Bij zijn moeder op een flat in de Bijlmer. De nood werd hoger toen ze na drie maanden zwanger raakte. Maar iets vinden lukte niet. Özmen, die veel werkte, merkte dat de verhoudingen veranderden. De druk in huis werd groter en Özmen maakte het uit. Ze vroeg bij de woonstichting urgentie aan, maar daarvoor moest ze aantonen dat ze was gescheiden. Dat ging niet want ze woonde, noodgedwongen, nog samen. Ze heeft toen nog de opvang voor jongeren met kinderen gebeld, maar die hadden een wachtlijst van twee jaar. Ze gaf de relatie nog maar weer een kans. Ze raakte zwanger van de tweede en maakte carrière. Ze klom op van caissière bij de Wibra tot eerste verkoper tot assistent-filiaalmanager. Er werd bij haar de ziekte van Crohn geconstateerd, fulltime werken ging niet meer. Ze kwam in de ziektewet terecht en maakte het intussen opnieuw uit met haar vriend. Maar waar moest ze heen? Ze bleven slapen in hetzelfde bed, drie jaar lang.

Niet ernstig genoeg

Na een uit de hand gelopen ruzie belandde ze op het politiebureau. ‘Kun je op dit moment ergens heen?’ had de agent gevraagd. Bij een goeie vriendin in Volendam, wist Özmen. Maar de grootste fout die je kunt maken, weet ze nu, is zeggen: ‘Ja, ik kan ergens heen.’ Want dan trekt iedereen zijn handen van je af. „Ze denken: het is niet ernstig genoeg.” Bovendien had ze haar kinderen niet meegenomen naar het bureau. „Met mijn kinderen erbij was de overheid verplicht geweest me te helpen.”

Met mijn kinderen erbij was de overheid verplicht geweest me te helpen.

Vier maanden woonde ze bij de vriendin. Wanhopig bleef ze zoeken om hoger op de wachtlijst voor een woning te komen, maar toen dat niet lukte begon ze te daten. Profiel: iemand met een woning. „Tot ik de verkeerde tegenkwam.” Een crimineel die haar schulden bezorgde, waardoor ze haar kamer verloor. Zes maanden heeft ze toen in zijn kelderbox in de wijk Kraaiennest gewoond.

En uiteindelijk kon Özmen in de opvang terecht. Ze voelt zich er prima en heeft een hoop vrienden gemaakt. Soms gaan ze met z’n allen naar het park, zwemmen of naar het Museumplein. Maar een opvang is ook onrustig, zeker voor de kinderen. Drie tot zes maanden was haar gezegd, zolang zou het duren tot ze in een eigen woning kon. Inmiddels zit ze hier al een jaar. Vorige week kreeg Özmen te horen dat ze drie plekken was gestegen op de wachtlijst. „Maar hoe lang de wachtlijst is, weet ik niet.”