Column

Hobby

Dit weekend publiceerde de Theaterkrant een opiniestuk dat voor de nodige ophef zorgde. Bregje Maatman (1974), theaterwetenschapper en adviseur voor podiumkunstinstellingen, stelde dat kunst niet per se iets te melden heeft. Ze noemde het, voor de consument althans, een hobby: een vrijetijdsbesteding waar je veel van kan houden, maar geen noodzaak of voorwaarde van bestaan.

Velen vielen over het ongelukkig gekozen woord hobby, want dat riep pijnlijke herinneringen op aan een periode waarin de kunstwereld zichzelf opeens moest verdedigen. Zelf voelde ik me ook enigszins aangedaan, niet eens omdat kunst door deze woordkeuze ogenschijnlijk naar het domein van de knutselkunde werd verwezen, maar meer omdat mijn leven dankzij woordkunst veel meer dimensies heeft gekregen.

Jaren geleden, toen ik als tiener het ene na het andere boek naar mijn donkere meisjeskamer sleepte, vroeg een vriendin waarom ik in godsnaam zoveel las. Toen moest ik haar het antwoord schuldig blijven, maar de laatste jaren is er wel een ontstaan. Lezen biedt inzichten en daardoor lifehacks. Dankzij een roman als Arthur, koning voor eens en altijd (1958) van T.H. White kon ik opeens mezelf vergeven dat ik veel meer van mijn koude grootmoeder hield dan zij van mij. White schrijft: „Misschien schenken wij allen het beste van ons hart kritiekloos – aan hen die zich, op hun beurt, nauwelijks om ons bekommeren.” De blokkade was weg en ik kon me beter concentreren op mijn werk en mijn studie.

Een roman als Middlemarch (1871) van George Eliot leerde me de chronische woede op bijvoorbeeld Twitter te relativeren. Als een van Eliots personages een bepaalde weerzin ervaart tegen zijn neef, en vervolgens gaat bedenken hoe stom die neef wel niet is, schrijft Eliot het volgende: „Ergernis lokte bij hem, net als bij ons allen, eerder zelfrechtvaardiging dan zelfonderzoek uit.”

Misschien klinkt het nu wel alsof ook ik bezig ben met zelfrechtvaardiging, maar ik heb meermaals ervaren dat kunst, in het bijzonder literatuur, doorsijpelt in alle aspecten van mijn leven. Door romans en bundels heb ik inzichten verkregen die ik niet alleen in mijn vrije tijd kan toepassen, maar ook in mijn werk als docent, mentor en journalist. Literatuur heeft van mij een breder mens gemaakt waarvan ik zowel privé als professioneel de vruchten pluk. Ik ben dankzij lezen een betere versie van mezelf geworden. Niet zozeer gezonder of sneller, alswel geïnformeerder en daardoor beter toegerust voor mijn bestaan. Literatuur is een kompas voor persoonlijke en zakelijke reizen, een Lonely Planet-gids, die dingen aanwijst die de moeite van het bekijken waard zijn, die toont waar bruggen zijn om de overkant te halen.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.