Recensie

De kracht van zwarte kunst

Tentoonstelling

Met ‘Soul of a Nation’ brengt Tate Modern een confronterend overzicht van Afro-Amerikaanse kunst tussen 1963 en 1980. Het toont werken die te lang over het hoofd zijn gezien.

Foto’s Tate Modern

Als er een beeld gaat beklijven uit de tentoonstelling Soul of a Nation in Tate Modern dan is dat ongetwijfeld Barkley L. Hendricks’ ‘zelfportret als Superman’. Kijk ’m daar staan! Het is 1969 en in Chicago is Bobby Seale, een van de oprichters van de Black Panthers, zojuist op uiterst dubieuze gronden tot vier jaar gevangenisstraf veroordeeld.

Dit heeft tot veel ophef geleid in de zwarte gemeenschap; zelfs Hendricks, die niet veel van politiek moet hebben (‘I wasn’t ever interested in speaking for all Black folks’, is een van zijn beroemdste uitspraken) besluit een statement te maken. Hij schildert een zelfportret: klassiek figuratief, frontaal, laconieke blik, armen trots over elkaar. Maar hij geeft zichzelf óók veel trekken van Seale mee – de kenners zien de verwijzing meteen. Zijn geslacht is onderaan het doek nog net te zien, maar dat valt in het niet bij het knallend blauwe T-shirt dat Hendricks draagt met daarop het slangvormige Superman-logo. De boodschap is duidelijk: ook zwarten kunnen zichzelf als Superman afbeelden, trots zijn op hun verschijning en hun afkomst.

Nietwaar?

Er zit nog een intrigerende dubbelzinnigheid in dit portret. Daarvoor moet je bedenken dat Superman niet alleen over buitengewone krachten beschikt, maar dat hij ook een klassieke buitenstaander is. Superman is geboren op de planeet Krypton maar van daaruit verdreven naar aarde. Daar houdt hij zijn hele leven een gevoel van gemis aan over, van verlies, van anders zijn. Dat gevoel zullen heel veel zwarten ook hebben in de door blanken overheerste samenleving: het idee er niet echt bij te horen, te verkeren in een maatschappij die wordt verbonden door normen, regels en waarden die niet op jou van toepassing zijn.

‘Icon for My Man Superman’, 1969. Barkley L. Hendricks

De zwarte mens als Superman én buitenstaander: precies die slimme, dubbelzinnige verwijzing maakt Hendricks’ Superman tot een waar meesterwerk en een mooi symbool voor Soul of a Nation – een indringend, confronterend en vooral heel dubbelzinnig overzicht van Amerikaanse zwarte kunst tussen 1963 en 1980.

Dat waren de jaren dat Martin Luther King opkwam en werd vermoord, de jaren van de Black Panthers en andere bewegingen die een nieuwe plaats van de zwarte bevolking opeisten binnen de Amerikaanse maatschappij. Die geschiedenis is niet onbekend, maar toch is het, juist als je huid de kleur heeft van doorregen spek, zoals ondergetekende, regelmatig of je op Soul of a Nation een parallel universum binnenstapt waarvan je best wist dat het bestond, maar waarvan je de kracht, de rijkdom en de complexiteit veel te lang over het hoofd hebt gezien.

Daarmee sluit de expositie ook perfect aan bij de huidige tijdgeest, waarin de discussie over de verhoudingen tussen blank en zwart, white privilege en black heritage opnieuw grote hoogten heeft bereikt. Soul of a Nation schuwt de complexiteit van die problemen ook bepaald niet, sterker nog: ze drijft ze juist zover op de spits dat de parallellen tussen vijftig jaar geleden en de huidige discussie krachtig wordt verdiept, juist door vragen te stellen als: zijn er eigenlijk normen en regels voor ‘zwarte’ kunst’? Wie bepaalt die? En kun je je als zwarte wel onttrekken aan de dominante blanke cultuur?

Abstracte doeken

Neem Al Loving. Loving (1935-2005) groeide op in Detroit en kreeg, toen hij in 1969 verhuisde naar New York, vrijwel meteen een solo-expositie aangeboden in het Whitney Museum. Zijn werk sloot dan ook perfect aan bij de tijdgeest: Loving schilderde, net als tijdgenoten als Ellsworth Kelly en Frank Stella, in de zogenaamde ‘hard edge’-stijl: abstracte doeken met naast elkaar geplaatste, harde kleurvlakken die vooral gaan over modernistische kwesties als vorm, kleur en licht. Loving kreeg erkenning, succes, maar al snel ontstond er kritiek in de zwarte gemeenschap: moest Loving, als zwarte kunstenaar, zich niet met ‘zwarte kwesties’ bezighouden? Moest hij niet bijdragen aan de kracht van de zwarte gemeenschap – verloochende hij, door te werken in een ‘blanke’ stijl, niet zijn zwarte afkomst?

Loving schudde de kritiek van zich af door te stellen dat hij zijn werk niet wilde laten afrekenen op zijn ‘zwart-zijn’ – dat is tenslotte slechts één aspect van zijn persoonlijkheid. Maar al snel raakte hij alsnog in een diepe crisis. Daar kwam hij pas uit toen hij zich in andere dan blanke tradities ging verdiepen: de geweldige zwarte Amerikaanse kunstenaar Romare Bearden bijvoorbeeld (ook aanwezig op Soul of a Nation) werd een inspiratiebron, maar ook de traditionele quilt-techniek, Afrikaanse kunst en geïmproviseerde jazz.

Van deze ‘nieuwe Loving’ hangt een werk op de tentoonstelling: een collage-achtig werk, nog steeds abstract, opgebouwd uit leren lappen in voornamelijk aardkleuren. Het is een goed werk, maar ook wat ongemakkelijk: ben je als zwarte kunstenaar dan automatisch veroordeeld tot aardkleuren, een tikje armoedige uitvoering, met associaties met primitieve kunst – is dat niet een erg ongemakkelijk, bijna benauwd verwachtingspatroon?

Dit dilemma vormt een van de hoofdlijnen van Soul of a Nation: zwarte kunstenaars die een nieuwe, eigen traditie proberen te vestigen terwijl ze ook al eeuwen door de witte traditie zijn geïmpregneerd. Niet vreemd dus dat velen van hen op zoek gaan naar ‘de bodem’ en uitkomen bij de Afrikaanse kunst en andere oudere zwarte tradities. Sommigen, zoals Betye Saar, Noah Purifoy en John Outterbridge, haken nadrukkelijk aan bij ‘primitieve’ kunst. Anderen zoeken in hun werk nadrukkelijk de scheidslijn op, de momenten of de punten waar zwarte politici, activisten en kunstenaars door blanken worden afgewezen en uitgesloten, onder het (weliswaar niet uitgesproken) motto: als blanken het afwijzen, moet het wel van onszelf zijn.

Dat zie je, opnieuw, mooi in het werk van Betye Saar, die in de jaren zeventig ruimtelijke collages maakte waarin ze afrekent met de stereotiepe zwarte man of vrouw, die meestal door blanken is geschapen: met name de oude versie van Aunt Jemima, de gezellige, mollige zwarte vrouw met dikke rode lippen die een bekend pannenkoekenmerk siert, keert vaak terug – je ziet trouwens meteen dat ze opvallend en pijnlijk veel overeenkomsten vertoont met Zwarte Piet. Saars werk laat goed zien dat zulke clichés niet alleen behoorlijk lullig zijn, maar als blanke besef je ook al snel dat er nauwelijks tegenpolen van bestaan: ik zie in ieder geval niet snel een karikaturaal, door zwarten gecreëerd blank stereotiepe personage voor me.

Betye Saar, ‘Eye’, 1972. Foto Robert Wedemeyer/Robert and Tilton

Van dat laatste patroon is de tentoonstelling doordesemd: blank is de norm en zwart past zich aan – toen en nog steeds. Dat is een belangrijk besef, dat zich tegelijk pijnlijk moeizaam verhoudt tot het zelfgekoesterde beeld van de kunstwereld als een vrijplaats, die niet aan ras of vooroordeel doet, een vrije wereld waar alleen kwaliteit en originaliteit en authenticiteit tellen – maar na een tijdje over Soul of a Nation te hebben gelopen besef je wel dat dat vooral blanke kwaliteit en originaliteit en authenticiteit betreffen.

Of is dat ook weer een racistische opmerking?

Het moge duidelijk zijn: Soul of a Nation is een belangrijke tentoonstelling, waar je lang over na kunt denken en die het politieke statement ruimschoots overstijgt. Dat komt ongetwijfeld mede doordat er op de expositie ook veel werken te zien zijn die heel moeilijk tot een kleur of ras zijn terug te brengen.

Dat geldt in het bijzonder voor de krachtige abstracte doeken van schilders als Sam Gilliam, Jack Whitten en William T. Williams. Deze kunstenaars vertegenwoordigen op het eerste gezicht perfect het ideaal van volkomen gelijkheid, tot je beseft dat ze dus wel een stuk minder bekend zijn dan hun blanke tijdgenoten – is die gelijkheid eigenlijk ooit wel echt mogelijk. Het is een mooi streven: dat er een punt komt waarop African Americans of -Europeans ook een hard-edge schilderij (of zijn hedendaagse equivalent) kunnen maken zonder dat ze zich voor hun huidskleur moeten verantwoorden. Dat zij een Superman-T-Shirt kunnen aantrekken, gewoon als ironisch pop-cultureel grapje. Een zwarte Superman, misschien zit het daar wel allemaal in.