Column

Spoedeisend

Vannacht strompelde ik de spoedeisende hulp binnen, nadat mijn buik in enkele uren van een goedbedoelend organenopbergsysteem was veranderd in een opgeblazen berg ellende. Dat gebeurt op zich wel vaker, maar dit keer kon ik niet meer stilliggen van de narigheid. Eenmaal in het ziekenhuis drapeerde ik mijn slappe lichaam over wat plastic stoeltjes en wachtte tot ik werd opgeroepen. Ik kalmeerde enigszins door de zekerheid dat er morfine in de buurt was en keek om me heen. Het is geweldig dat er dag en nacht mensen klaar staan om je lijf weer te repareren. Een soort ANWB maar dan met iets meer aansprakelijkheid.

Ik werd opgehaald, op een tafel gelegd, beantwoordde wat vragen en moest mijn pijn een cijfer geven, alsof het een werkstuk was. Er kwam een chirurg bij, bloed en plas werden getest en na een half uur kon ik naar huis, met de mededeling dat als ik tegen de ochtend nog steeds verhoging had, ik meteen moest bellen. De arts had me verzekerd dat ik de nacht zou overleven en dat het vermoedelijk buikgriep was, waarvan er momenteel blijkbaar een kleine epidemie door Nederland woedt. Ik verliet de behandelkamer met een pijn in het lijf waarvan het nog steeds niet zeker was waar hij vandaan kwam.

Terwijl ik door de spoedeisende hulp liep, zag ik hoeveel mensen er zaten, ongerust, scheef van leed. Er was een meisje met blauw aangelopen lippen, dat door haar moeder overeind werd gehouden. Er was een man van een jaar of veertig die met zijn hoofd in zijn handen zat, alsof hij wachtte tot de pijn er eindelijk uit zou vallen. Tientallen medewerkers, artsen en verpleegkundigen liepen op en neer om al die lichamen aan de praat te houden.

Het was inmiddels half vier in de ochtend. Ik sta wel vaker versteld van het idee dat we in een wereld leven waarin de boel goeddeels draaiende wordt gehouden door onzichtbare handen, maar in zo’n ziekenhuis word je opeens wel heel erg geconfronteerd met het feit dat er nog zoveel werkelijkheden zitten onder degene waar je je in bevindt: gebouwen vol apparatuur, bloedverdunners en vakmensen.

Ik verliet het hospitaal en belandde van de ene dimensie in de andere. Ik droeg een onheilspellend mysterie in me, dat langzamerhand aan mijn aandacht werd onttrokken door wat diclofenac en oxazepam. Lopen, dacht ik, blijf doorlopen, je hoort hier nog niet, tussen al deze bloedende, grauwe personen. Je bent nog geen held geweest.

Achter mij gingen lichamen stuk en werden ze zo goed mogelijk weer opgelapt, en ik bleef maar lopen, ik kon nog lopen, ik kon nog even vergeten dat deze wereld zich onder de mijne bevond, en in stilte stutte.

vervangt Marcel van Roosmalen, die vakantie heeft.