Niet meer naast je dader wonen

Woonverbod voor dader

De positie van slachtoffers wordt sterker. Een nieuw plan voorziet in een verbod voor daders om in de buurt bij slachtoffers te wonen.

Bewerking: NRC Beeld: iStock

Elke geweldpleger is zijn slachtoffer ooit tegengekomen - anders was het nooit zover gekomen. De kans is groot dat ze elkaar kenden, in dezelfde omgeving leefden. Net zo groot is dus de kans dat ze elkaar na jaren waarin de dader van een ernstig misdrijf zijn gevangenisstraf uitzat, opnieuw tegen het lijf zullen lopen. Voor vele slachtoffers en ook nabestaanden is dit een gruwelgedachte die hen belemmert in de verwerking of hen zelfs isoleert: angst om de deur uit te gaan.

Dit is reden voor Slachtofferhulp Nederland om juristen onderzoek te laten doen naar de mogelijkheden van een ‘woonverbod’. Daders van zeden- en levensdelicten zouden dan een verbod opgelegd krijgen om na hun straf in de buurt van slachtoffer en nabestaanden te wonen.

In de bestaande situatie kan de rechter alleen zo’n verbod opleggen als een dader onder voorwaarden in vrijheid is gesteld. Als hij zijn straf heeft uitgezeten, houden de restricties op. Slachtofferhulp wil kijken of het mogelijk en wenselijk is om dit verbod op te rekken. Natuurlijk, zegt de organisatie, elke dader verdient een tweede kans. Maar het is tijd om óók de belangen van nabestaanden hierin te wegen.

Slachtoffer krijgt sterkere positie

Het tekent een ontwikkeling die in Nederland al langer gaande is: de positie van het slachtoffer in het strafrecht wordt sterker. Zo kregen slachtoffers in de jaren negentig meer mogelijkheden om materiële en immateriële schade te verhalen op de dader en kregen ze in 2005 de mogelijkheid om zich, via spreekrecht in de rechtszaal, rechtstreeks tot die dader te wenden. Dit spreekrecht werd in 2012 uitgebreid – meer dan één nabestaande mocht spreken – en vorig jaar ook inhoudelijk verruimd: het mag nu behalve over de gevolgen voor het slachtoffer zelf ook over de dader gaan. Over diens strafbare feiten, over de gewenste straf.

Ook kunnen slachtoffers rekenen op familierechercheurs, die hen inlichten over het opsporingsonderzoek. Ze hebben recht op een gesprek met de officier van justitie over de strafeis, ze hebben een eigen plek op de publieke tribune en in gerechtsgebouwen zijn aparte familiekamers ingericht, opdat nabestaanden de familie van de dader niet hoeven treffen.

Dit alles was er nog niet toen Marc Groenhuijsen, hoogleraar slachtofferschap en oprichter van het Tilburgse onderzoeksinstituut Intervict, halverwege de jaren tachtig zijn kruistocht voor een verbetering van de positie van het slachtoffer begon. Tot dan toe werd een misdrijf gezien als een conflict tussen overheid en verdachte. Het slachtoffer stond buitenspel. „Maar in eerste instantie is een misdrijf natuurlijk een conflict tussen een verdachte en het slachtoffer. Die bewustwording zag je toen wereldwijd ontstaan.” Ze werd verankerd in internationale richtlijnen die het slachtoffer meer rechten moest verschaffen. En Nederland loopt hierin „redelijk voorop”, zegt hij.

Mede dankzij de lobby die Slachtofferhulp en de drie lotgenotenverenigingen van geweldsslachtoffers hebben gevoerd. „Onze positie is steeds sterker geworden”, zegt voorzitter Jan van Kleeff, van de in 1995 opgerichte Vereniging Ouders van een Vermoord Kind (VOVK). Hij herinnert zich nog de eerste vergaderingen met het ministerie. Zes leden van drie verenigingen die allemaal hun verhaal kwijt wilden. Naar elkaar werd niet geluisterd. Inmiddels zijn de drie verenigingen samengevoegd tot één federatie, die geregeld aanschuift bij de staatssecretaris. Er lopen lijntjes met Kamerleden. En de kans is groot dat premier Rutte een woordje spreekt bij de landelijke herdenkingsdag.

Gekwalificeerde zelfmoord

Maar er zijn ook punten om aan te werken, zegt Van Kleeff: spreekrecht voor het slachtoffer bij verlengingszaken voor tbs, oprichting van een fonds voor nabestaanden van slachtoffers die in het buitenland zijn vermoord, verruiming van de mogelijkheden om na gekwalificeerde zelfmoord te onderzoeken of er niet toch sprake is van een misdrijf. En dus het ‘woonverbod’, waarover de lotgenotenverenigingen het eens zijn.

Hoogleraar Groenhuijsen ziet ook gevaren. „Je moet oppassen dat het niet doorschiet.” Zo blijkt uit recent onderzoek dat hij uitvoerde dat de emancipatie van het slachtoffer óók kan leiden tot valse verwachtingen. „Verwachtingen kunnen zo hoog zijn dat slachtoffers minder tevreden raken over politieoptreden.” Ook kan te veel nadruk op de belangen van het slachtoffer ten koste gaan van andere belangen, zoals die van de dader. „In sommige landen hebben slachtoffers een vetorecht om te beslissen of iemand voorwaardelijk eerder vrij mag komen. Dat gaat te ver, vind ik.”

Je moet oppassen dat je door het rechtzetten van het ene onrecht niet een nieuw onrecht creëert, zegt Groenhuijsen. Het voorgestelde ‘woonverbod’ ligt tegen de grens aan, vindt hij. „Het is goed dat de initiatiefnemer eerst zelf nog goed naar de wenselijkheid kijkt.”