Column

Gesloten deur

Afgelopen vrijdagavond zette ik de vuilniszakken buiten, en omdat het nog steeds warm was en toch allang donker ging ik op mijn sokken de deur uit. Vanwege de hitte droeg ik een kort katoenen broekje, een hemdje en natuurlijk geen beha. Ik zette de zakken voor mijn huis neer en hoorde toen een doffe plof. Mijn voordeur was in het slot gevallen.

Daar stond ik dan, geen huissleutel bij me, geen mobiel, geen geld. Mijn onderburen, die een reservesleutel hadden, bleken niet thuis en mijn wangen werden heet van paniek: de volgende dag moest ik er vroeg uit voor een lezing. Ik ging op pad naar de dichtstbijzijnde vriend die sleutels had en helaas een half uur verderop woonde. Al lopend werd ik natuurlijk aangegaapt: schaars geklede vrouw van 35 op sokken, warrig los haar dat ze de hele tijd voor haar borsten hield, licht wanhopige blik.

Terwijl ik werd nagestaard dacht ik echter ook: dit wordt een geweldige anekdote. Ik was meteen aan het bedenken hoe ik dit verhaal nog smeuïger kon brengen. Ik kon er natuurlijk bij verzinnen dat ik een ex tegen het lijf liep, of nog beter: de nieuwe vriendin van een ex. Ik zou van mezelf een karikaturale warrige schrijver maken, omdat daarbij de grappen wat makkelijker voor de hand liggen dan bij de onduidelijke massa die mijn persoonlijkheid vormt en waar ik na ruim drie decennia nog steeds geen lijn in zie.

Opeens moest ik denken aan wat tot dusver mijn smakelijkste anekdote was: ik had als student eens in een badkuip geslapen. Ik bracht het altijd alsof het lachen was en ik totaal dronken (want verzachtende omstandigheid), maar in werkelijkheid was ik nuchter en had ik de badkuip als slaapplek gekozen omdat in de rest van het studentenhuis er in iedere kamer werd geneukt/drugs gedaan/keihard werd geschreeuwd. Ik was moe, had de laatste trein gemist en bekleedde het bad maar met niet al te ranzige handdoeken. Om het kwartier moest ik me omkeren, omdat de handdoeken oud waren en nauwelijks bescherming boden tegen de harde bodem.

Toch was ik opgewekt, want uiteindelijk had ik een geweldige anekdote voor later, als ik vertelde over mijn studententijd, een periode die toen vooral bestond uit studeren en daardoor in sociaal opzicht zo levendig was als de mimiek van een comapatiënt. En zo liep ik vrijdagavond halfnaakt en toch vol voorpret over straat. Ondanks het gebrek aan comfort was ik al bezig met de vruchten die ik van de situatie zou plukken, ook al moest ik daarvoor even door een heel vervelend heden.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.