Column

Geliefde vampierfilm van zombiekoning Romero

Peter de Bruijn

Hij was bekend om zijn zombiefilms, maar regisseur George A. Romero had een vampierfilm als favoriet: ‘Martin’. De geflopte film heeft dankzij de rijkdom aan ideeën en schitterende muziek inmiddels een cultstatus.

Gevraagd naar zijn persoonlijke favoriet noemde de vorige week overleden regisseur George A. Romero niet een van de zombiefilms die hem beroemd maakten, maar Martin: zijn hoogst persoonlijke, sombere kijk op de vampier. Weinig mensen zagen Martin toen de film in 1978 uitkwam, al was het maar omdat de film nauwelijks distributie had. De film behoorde tot een reeks flops, in de periode tussen de twee zombiefilms waarmee Romero zijn naam vestigde: Night of the Living Dead (1968) en Dawn of the Dead (1978). Maar video en dvd behoedden de film voor de vergetelheid.

Op conventies van horrorfans werd Romero in latere jaren het meest gevraagd om zijn handtekening te zetten op dvd’s van Martin, vertelde hij. „Mensen hebben de film herontdekt, of voor het eerst ontdekt. Dat is fantastisch. Ik had alleen gewenst dat ze waren komen opdagen toen de film uitkwam.”

Romero hield van al zijn films het meest van Martin, omdat hij er het meest van zichzelf in kon leggen – allereerst de restanten van zijn katholieke opvoeding. De film werd gedraaid voor een appel en een ei in zijn woonplaats Pittsburgh op 16mm, met hulp van vrienden en kennissen. Dat is aan de film ook af te zien. Maar wat Romero miste aan middelen om zijn film een gelikt, professioneel uiterlijk te geven, maakte hij goed met de rijkdom van zijn ideeën. De schitterende muziek is van Donald Rubinstein, de broer van de producer, en heeft inmiddels zelf een behoorlijke cultstatus.

Martin (John Amplas) is een eenzelvige puber, die te verlegen is om meisjes aan te spreken. Hij trekt in bij zijn zwaargelovige neef, die ervan overtuigd is dat Martin in de ban is van de duivel en hem probeert in te tomen met de klassieke middelen van de vampier-bestrijding: kruizen, knoflookstrengen en een priester die aan duiveluitdrijving doet.

Martin haalt er zijn schouders bij op. „Echte magie bestaat niet. Nooit.” Maar hij is toch een vampier: een moderne, die te werk gaat met behulp van injectienaalden en bedwelmende middelen. Of is hij simpelweg een psychopaat die zich alleen maar inbeeldt dat hij een vampier is? Dat zou zijn daden natuurlijk alleen maar gruwelijker maken. De mythologie van de vampier met zijn kasteel in Transsylvanië, zijn zwarte cape en doodskist als bed, is kinderspel vergeleken met de gruwelen van de werkelijkheid, lijkt Romero te zeggen.

Vervreemding en frustratie

Martin maakt met zijn onzekere, tobbende, in zichzelf gekeerde held expliciet wat in horrorfilms meestal impliciet blijft: dat al die duistere fantasieën en dat bloedvergieten alleen maar evenzoveel heftige metaforen zijn voor gevoelens van vervreemding, frustratie en isolement. Romero neemt zijn held heel serieus: de film heeft komische momenten – als Martin zich verkleedt als een klassieke vampier, met neptanden, om zijn duiveluitdrijvende neef de stuipen op het lijf te jagen. Maar hij benadert Martin nooit ironisch; zijn drama is serieus.

De horror-held is hier tegelijkertijd een extreem uitvergroot portret van de horror-fan. Dat zou misschien kunnen verklaren waarom uitgerekend Martin de film is die Romero het meest moest signeren voor zijn fans.