Moe

Deze week schrijft huisarts Anne Hermans over haar praktijk op het platteland van Nieuw-Zeeland.

‘Margaret, de volgende patiënte, zie ik nu voor de derde keer voor haar benauwdheid en moeheid”, leg ik de co-assistente uit, terwijl ik het dossier open. „Ze is daar door haar eigen huisarts Julia ook al vaak voor gezien. In het bloedonderzoek vorige week leek het of ze mogelijk een hartaanval had gehad. Dus ik heb met de cardioloog overlegd. Op zijn advies heb ik haar medicatie aangepast. Hopelijk voelt ze zich vandaag wat beter”, besluit ik, voordat ik Margaret uit de wachtkamer haal.

Haar ogen staan vermoeid, met een zucht ploft ze in haar stoel. „Misschien een heeeel klein beetje beter?”, zegt ze met een hoopvolle glimlach. „Maar als ik naar mijn auto loop, ben ik nog steeds uitgeput. Terwijl ik een paar maanden geleden nog met gemak een half uur ging wandelen.”

We praten over haar zus, die nu al een maand in coma ligt in Auckland. Ze maakt zich daar veel zorgen over en ligt er vaak ‘s nachts wakker van. Een gemiddelde nacht slaapt ze hoogstens vijf uur.

Ik vertel haar over mijn gesprek met de cardioloog en stel haar gerust dat haar kransslagaderen er perfect uit zagen tijdens de hartcatheterisatie een half jaar geleden. Hij acht ‘angina’ of een hartaanval daarom volledig uitgesloten. Er zou wel sprake kunnen zijn van mild hartfalen, dus ik zal haar verwijzen voor een echo van haar hart. Daarnaast stel ik voor om haar antidepressivum te verhogen en schrijf ik haar een paar slaappillen voor. „Wat extra nachtrust zal u zeker goed doen. En ik verwacht nog meer effect van uw nieuwe hartmedicatie. Kunt u een vervolgafspraak maken over twee weken, dan is Julia ook weer terug?” Margaret knikt, staat op, en aarzelt dan. „Moet ik per se Julia zien? Ik bedoel… kan ik u niet blijven zien? U bent zo grondig en ik voel me echt vertrouwd in uw handen.” „Eh…”, ik aarzel even. „Natuurlijk. Als u dat prettiger vindt. Ik zal het met Julia bespreken en u bij mij inschrijven.”

Als ze de kamer verlaten heeft, verklaar ik met valse bescheidenheid: „Een frisse kijk op een situatie kan soms goed zijn. Maar het is wel een valkuil om als tweede dokter te veel aanvullend onderzoek te doen. Patiënten vinden dat fantastisch, want het lijkt extreem grondig. Maar vaak is het onnodig en leidt het uiteindelijk tot dezelfde conclusie. Haar eigen huisarts kent haar, weet dat ze angstig is en kan haar klachten daardoor beter duiden.”

De volgende dag, tijdens de lunch, gaat mijn mobiel. Het is de ambulance: „We zijn op dit moment bij Margaret Moore. Ik begrijp dat u haar gisteren nog gezien heeft?” Ik kijk de co-assistente veelbetekenend aan. Ik had toevallig net de samenwerking met de lokale ambulance met haar besproken. Om onnodige ziekenhuisopnames te voorkomen, belt de ambulance ons vaak om mee te kijken naar patiënten die we kennen. „Klopt”, zeg ik met volle mond. „Heeft ze weer last van…” Maar voor ik mijn zin kan afmaken valt hij me in de rede: „Ze is dood. Ze is zojuist door de buurvrouw gevonden. Met haar nachthemd nog aan, dus waarschijnlijk is ze vannacht overleden.”

Frits Abrahams heeft vakantie.