Commentaar

Nederlandse IS-strijder die zich overgeeft dient goed behandeld

Nederland werkt in Syrië en Irak geen executielijst af van ‘eigen’ IS-strijders, in tegenstelling tot de VS, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. Maar onze luchtmacht en inlichtingendienst zijn wel dienstbaar bij het uitschakelen met laserbommen van een gezamenlijke lijst doelen, waaraan we ook bijdragen. Deze informatie uit NRC van vorige week laat zien dat oorlogvoeren tegen IS met behoud van schone handen niet bestaat. Een hitlist is in ieder geval moreel dubieus omdat het de weg opent naar buitengerechtelijke executie. Dat tast legitieme oorlogvoering aan, die juist is gebaseerd op het recht van statelijke zelfverdediging.

Anderzijds kan Nederland ook niet met overtuiging claimen dat het niet is betrokken bij de executie van IS-strijders, gezien de collectieve handelingsverantwoordelijkheid binnen de coalitie. Het gericht doden van individuele IS-strijders valt binnen de algemene norm van ‘in bello-proportionaliteit’, waarin militair doel en middel in oorlogstijd in een redelijke verhouding tot elkaar moeten staan. Dus wapens die onnodig veel leed veroorzaken moeten bijvoorbeeld vermeden worden. Ook het uitschakelen van individuele strijders moet noodzakelijk en proportioneel zijn; het gevaar dat zij op dat moment in de strijd vormen is leidend bij die afweging. Of het verhinderen van hun terugkeer ook een redelijk doel kan zijn, is nog maar de vraag. De aanslagen in Europa worden hoofdzakelijk gepleegd door daartoe gerecruteerde burgers van eigen bodem, niet door strijders uit het Midden-Oosten. Of nog niet? Dit neigt naar preventief doden, wat binnen de ratio en het kader van oorlogvoering kan passen, maar dan wel onderbouwd moet zijn.

De kwestie is actueel omdat de strijd op de grond tegen IS lijkt af te lopen en tientallen Nederlandse strijders met hun gezinnen aanstalten maken om het strijdtoneel te verlaten. Sommigen willen via Turkije terugkeren, anderen trekken de regio in. Op de vlucht of om de strijd voort te zetten. Niemand weet het echt. De houding van het kabinet is intussen afwerend en wordt gekleurd door premier Rutte die zei dat hij de Nederlandse jihadi’s liever ziet sneuvelen in Irak. Dat is ook een belangrijk sentiment in de publieke opinie, waar een meer dan begrijpelijke afkeer heerst van IS dat aanslagen tegen willekeurige burgers in grote Europese steden pleegde.

Toch passen hier kanttekeningen. Volgens het humanitair oorlogsrecht moet er steeds onderscheid gemaakt worden tussen zij die wel en zij die niet, of niet meer aan de strijd deelnemen. Die laatste groep, van burgers, krijgsgevangenen en medisch personeel tot gewonde strijders of zij die zich overgaven, heeft recht op een goede behandeling. Zij mogen niet aangevallen worden, maar hebben aanspraak op verzorging als ze ziek of gewond zijn. In iedere moderne oorlog tot nu toe was er vroeger of later sprake van repatriëring van overlevende ex-strijders. Dat moet de Nederlandse overheid nu al meewegen. Als er zich dus Nederlandse IS-strijders op het slagveld overgeven is dat niet alleen een toekomstig veiligheidsvraagstuk. Of louter een kwestie van gerechtelijke afdoening.

Dit gaat ook over uiteindelijke reclassering en rehabilitatie. Advocaten en andere hulpverleners vragen Den Haag nu om een actieve houding, om voorlichting en begeleiding van de groep die de wapens neerlegt of dat wil doen. Het is verstandig om daarop in te gaan – niet alleen om humanitaire of internationaal rechtsstatelijke redenen. Maar ook omdat er op lange termijn een dialoog nodig is; maar al te vaak worden nieuwe oorlogen geboren uit bitterheid over de vorige.