Cultuur

Interview

Interview

‘Het helpt dat ik geen oude heer ben’

Jochem Dijckmeester

Dit jaar werd hij uitgeroepen tot jonge pensioenfondsbestuurder van het jaar. Dijckmeester (35): „Ik weet beter dan mijn oudere collega’s hoe ik jongeren kan meenemen in alle veranderingen.”

Veel concurrentie was er niet toen Jochem Dijckmeester dit jaar ‘jonge pensioenfondsbestuurder van het jaar’ werd. De pensioenfondsbesturen moeten verjongen, en daar moet deze nieuwe titel aan bijdragen. Dijckmeester (35) doet zijn best: als ambassadeur voor meer jonge bestuurders houdt hij praatjes en presentaties. Maar zijn sector lijdt onder het bekende probleem als het met de diversiteit niet wil vlotten – of het nu gaat om sekse, afkomst of om leeftijd. De pensioenfondsen zeggen dat er te weinig geschikte kandidaten zijn, en de geschikte kandidaten denken dat het geen zin heeft om het überhaupt te proberen.

Voor de duidelijkheid: jong, dat is in dit verhaal jonger dan 40 jaar. Dat zegt veel over de leeftijdsopbouw in de pensioenfondsbesturen, zegt Dijckmeester lachend. „Ik vind veertig al redelijk mid career, hoor.” Dijckmeester is bestuurder van pensioenfonds PGB, goed voor zo’n 24,5 miljard euro belegd vermogen. Tot anderhalve maand geleden zat hij daarnaast ook in het pensioenfondsbestuur van het UWV.

Het imago van pensioenfondsen is niet goed – onbetrouwbaar, saai, moeilijk – en dat helpt niet. Niet om jonge bestuurders de sector in te lokken, en niet om jonge mensen zich in hun pensioen te laten verdiepen.

Twee jaar geleden kon Dijckmeester wél worden verleid, door zijn toenmalige werkgever UWV, waar hij werkte als HR-adviseur op het gebied van arbeidsverhoudingen. Een bestuursfunctie in een pensioenfonds paste goed bij zijn werk, vond hij – zo voerde hij al cao-onderhandelingen met de vakbonden. Hij volgde een interne opleiding om te kunnen slagen voor de toetsing bij De Nederlandsche Bank (DNB). Want hoe jong ook, van learning on the job kan in een pensioenfondsbestuur geen sprake zijn. Een bestuurder is meteen zelf aansprakelijk voor de keuzes die hij maakt. „Ik moest vanaf dag één de discussies aan de bestuurstafel kunnen volgen.”

En, lukte dat? Lijkt me niet eenvoudig voor iemand zonder financiële achtergrond.

„Het was geruststellend dat ik, met het statistiekniveau van een psychologiestudent, al veel snapte. Ik heb voldoende comfort om keuzes te kunnen maken. Ik hoef niet alle berekeningen van actuarissen te begrijpen, maar ik moet een cijfer wel kunnen wegen. Ik opereer als bestuurder vooral op hoofdlijnen, op strategisch niveau.”

Hoe bracht u het ervan af tijdens de DNB-toetsing?

„Dat was heel spannend. Nu het toezicht op de sector is aangetrokken, is de toetsing ook veel strenger. Het is een soort mondeling examen, waarin ook weleens mensen worden afgekeurd – ook ervaren bestuurders. Gelukkig hielden ze er rekening mee dat ik nog geen tien jaar bestuurservaring heb. Ik kreeg kennisvragen, zoals: hoe lees je een balans? Maar ook: hoe zie je de toekomst, en kun je je als jongere staande houden in een bestuur met oudere, ervaren mensen?”

Wat was daarop uw antwoord?

„Dat ik wel tegen ze zou durven ingaan. Je moet zorgen dat je goed voorbereid aan tafel zit, dat je weet waarover je het hebt. En je moet toetsen of je argumenten valide zijn. Want het is absoluut lastig als je 33 bent en moet discussiëren met mensen die veel meer werkervaring hebben en allerlei bestuursfuncties hebben gedaan.”

Waarin bent u anders dan die ervaren bestuurders?

„Ik ben minder formeel. Ik zit minder op de procedures dan andere bestuurders, minder op de regels. Ik heb veel respect voor de bestuurders die bijvoorbeeld wél de statuten uit hun hoofd kennen, dat zie ik jongeren minder snel doen. Maar jongere bestuurders kijken anders naar de materie, en maken ook makkelijker contact met de jonge achterban. Ik weet beter dan mijn oudere collega’s hoe ik deze groep kan meenemen in alle veranderingen.”

Namelijk?

„Door niet te technisch te worden over dekkingsgraden en rekenrentes, maar door op hoofdlijnen het verhaal goed te vertellen.”

Vindt u dekkingsgraden en rekenrentes zelf wel interessant?

„Het lijkt inderdaad geen heel natuurlijke keuze voor iemand die psychologie heeft gestudeerd. Maar geloof me: het werk is veel breder dan dat. Er zijn meer dan genoeg financiële experts, maar pensioen is niet alleen een financieel product. Het heeft ook een maatschappelijke en sociale kant. Zo hebben jongeren vaak niet door hoeveel geld er per maand naar hun pensioen gaat. Dat is een belangrijke arbeidsvoorwaarde. En ik heb mazzel: ik kom de sector binnen op een moment dat er heel veel over de toekomst wordt nagedacht.”

Maar niet door degenen om wie het gaat: de jongeren. Vindt u dat zij zich te weinig bezighouden met hun pensioen?

„Dat is dubbel. Ik vind het bijvoorbeeld niet zo erg dat ze hun UPO niet elk jaar lezen…”

Hun wat?

„Het Uniform Pensioenoverzicht, waarin je kunt zien hoeveel pensioen je hebt opgebouwd. Ik heb daar persoonlijk ook minder interesse in; de informatie daarin wordt pas over lange tijd relevant. Maar er zijn wel zaken waarin jongeren meer geïnteresseerd zouden moeten zijn. Het zou fijn zijn als ze weten of ze straks genoeg pensioen opgebouwd hebben of nu al moeten bij sparen.

„Als je jong bent, kun je nog bijsturen. Er zijn ook praktische kanten die nuttig zijn voor je huidige leven. Het partnerpensioen, bijvoorbeeld, geeft ook dekking voor je overlijdensrisico. Dus als je trouwt, en een huis koopt, dan hoef je misschien helemaal geen overlijdensrisicoverzekering af te sluiten. Of als de eerste kinderen komen: krijgen zij een uitkering als je overlijdt? Het wezenpensioen bouw je vaak ook op via je pensioenfonds.

„De meeste jongeren, bijna 80 procent volgens onderzoek van de Pensioenfederatie, denken dat alles wat zij betalen, naar de ouderen van nu gaat. Ik vind dat schrikbarend. Het zou veel bekender moeten zijn dat met de premie die je inlegt, voor een groot deel voor jóúw uitkering kapitaal wordt opgebouwd.”

Beschouwt u het als uw verantwoordelijkheid om daar wat aan te doen?

„Dat is een goede vraag. Ik vertel het gewoon – aan de jongeren die ik spreek op de werkvloer, in mijn vriendenclub, in een interview als dit.” En dan, lachend: „Maar ik weet ook wel dat jongeren een interview over pensioenen niet per se lezen.” Even later: „Het is ook een vertrouwenskwestie. Het helpt dat ik zelf geen oudere heer ben. Ik probeer de perceptie te veranderen door erover te praten. Zo simpel als mogelijk, zo weinig technisch als maar kan. Want daar is deze sector niet zo goed in.”

De Sociaal Economische Raad (SER), het adviesorgaan van werkgevers en vakbonden, werkt op dit moment aan een kabinetsadvies over een nieuw pensioensysteem. De verwachte uitkomst daarvan is de invoering van een individuele pensioenpot. Zo wordt zichtbaarder hoeveel je opbouwt. Wie de pensioenleeftijd nadert, stapt langzaam over op een collectieve regeling. Werknemers zullen ook niet langer dezelfde pensioenpremie inleggen. Dijckmeester: „Ik, als jongere, zou bijvoorbeeld minder moeten betalen – mijn geld gaat namelijk veel langer renderen dan dat van een oudere werknemer. Met die individuele potjes gaan we storten wat nodig is voor een goed pensioen voor onszelf.”

Globaal werken we, bij een fulltimebaan, een dag per week voor ons pensioen. Dat is heel veel, ja. Je moet écht goed sparen, wil je uitkomen

Het klinkt dan ook als een mooie variant op het huidige stelsel, zegt hij. „Het is goed voor het vertrouwen in het systeem als mensen meer het gevoel krijgen dat ze sparen voor hun eigen potje.” Maar hij maakt zich wel zorgen over de complexiteit ervan. En dat is pijnlijk voor iemand die pensioenen nu juist toegankelijker wil maken. „Ik weet niet of het makkelijker uit te leggen is dan hoe het nu gaat. Er zit bijvoorbeeld wel een risicodeling in de rendementen die je maakt: je wilt niet dat de ene generatie gepakt wordt door een crisis terwijl de andere profiteert van een goed rendementsjaar.”

Vaak krijgt Dijckmeester van jongeren de vraag of ze niet gewoon elke maand 50 euro kunnen sparen voor hun pensioen. Daaruit maakt hij op dat ze geen idee hebben hoeveel geld er nodig is om zo’n individueel potje verantwoord te vullen. „Geloof me: met 50 euro per maand kom je nergens. Reken maar uit hoelang je dan bezig bent voordat je een jaarsalaris bij elkaar hebt. Globaal werken we, bij een fulltimebaan, een dag per week voor ons pensioen. Dat is heel veel, ja. Daar ben ik mij pijnlijk van bewust. Je moet écht goed sparen, wil je uitkomen.”

Dat mensen niet graag sparen voor hun pensioen, blijkt ook uit recente CBS-cijfers. Zzp’ers zetten vaak niets of heel weinig opzij. Moet dat worden aangepakt?

„We zitten straks met een grote groep mensen die na hun pensioen een veel lager inkomen heeft dan de groep die in loondienst heeft gewerkt. Het nare van pensioen is dat het pas gaat leven als het al te laat is, als je horizon al te klein is. Dus ja, daarom vind ik het belangrijk – en dit roept veel weerstand op – dat pensioen voor een deel verplicht wordt voor iedereen. Niet per se op hetzelfde niveau en dezelfde manier, maar er moet een waarborg zijn dat mensen na hun pensionering geen te grote inkomensdaling doormaken. Want dan gaan ze aankloppen bij degenen die wél hebben gespaard.”