Opinie

We hebben de plicht om burgerslachtoffers te tellen

Inherent aan de plicht om in een oorlog burgers zoveel mogelijk te ontzien, is de plicht om de doden te registreren, schrijft

Rookpluimen na een luchtaanval op het westerse front van Raqa, 17 juli 2017. Foto: AFP Photo / Bulent Kilic

Ook Nederland neemt met F-16’s deel aan de strijd tegen ISIS. Nederland heeft de afgelopen twee jaar honderden aanvallen op doelen in Irak en het oosten van Syrië uitgevoerd.

De vraag dringt zich op: zijn daarbij ook burgerdoden gevallen? Wij weten dat niet. Dat is een probleem.

Het Openbaar Ministerie onderzoekt in totaal vier bombardementen door Nederlandse F-16’s op Islamitische Staat. Maar of hierbij burgerdoden vielen, hoeveel en hoe dat is gebeurd, daar geeft het Openbaar Ministerie geen informatie over.

Het oorlogsrecht verplicht ons om burgers zoveel mogelijk te beschermen. Burgerdoelen moeten van militaire doelen worden onderscheiden. Bij een aanval moeten we voorzorgsmaatregelen nemen om burgerslachtoffers zoveel mogelijk te voorkomen.

Dat betekent niet dat er geen slachtoffers onder burgers kunnen en mogen vallen. ‘Collateral damage’ is niet uitgesloten. Het draait in het recht steeds om de afweging tussen militaire noodzaak enerzijds en de bescherming van burgers anderzijds.

Maar om te weten of we ons aan het recht houden, moeten we wel weten wie we doden. Inherent aan de plicht om burgers zoveel mogelijk te ontzien, is de plicht om de doden te registreren.

En dat doen we niet. We weten niets over de slachtoffers die we met onze bombardementen in Irak en Syrië maken. Dat lijkt bewust beleid. In Afghanistan registreerden we ook de doden niet. Ons ministerie van Defensie zei toen niet bij te houden hoeveel slachtoffers wij maakten. Gevraagd naar hoeveel Talibaanstrijders ons leger heeft gedood, antwoordde voormalig commandant der strijdkrachten, Dick Berlijn: „Het is geen criterium dat wij relevant vinden.” Aangezien het vaak moeilijk vast te stellen is of iemand Talibaan of burger is, zijn ook burgerslachtoffers daarom geen ’relevant criterium’.

Dat tast het oorlogsrecht in de kern aan. Het recht schrijft immers voor: zo min mogelijk burgerdoden. Of je daaraan voldoet kun je alleen weten als je weet wie je doodt.

Onderzoek ter plaatse is zeker niet altijd onmogelijk. De F-16’s ondersteunen Iraakse grondtroepen. Die samenwerking zou ook onderzoek ter plekke naar gewonden en doden moeten omvatten. Verder zijn er vaak lokale bronnen. Burgers zetten foto’s, teksten en video’s met informatie over bombardementen op social media. Uit zulke informatie kunnen we ook putten.

Het is niet zo dat we burgers willen doden. Maar luchtaanvallen zijn zeer onnauwkeurig. Het is enorm moeilijk om vanaf grote hoogte te bepalen of burgers kunnen worden geraakt. Waar we zelf veilig op afstand van het geweld blijven, zijn de mensen op de grond het kind van de rekening, bedoeld of onbedoeld. Het roept de fundamentele vraag op of het dit soort ‘air-only’ oorlogen überhaupt binnen de grenzen van het recht kunnen worden uitgevoerd. Maar voordat we die conclusie trekken, moeten we eerst onze verantwoordelijkheid nemen door degelijke informatie te verzamelen over wie er overlijdt door onze bommen.