Column

De sprint der sprints

Terwijl het peloton over de Champs-Élysées denderde, liet de camera vanuit een helikopter zien met hoeveel grandeur het stratenplan van Parijs is ontworpen. Boulevards trekken lange strepen van monument naar monument en de parken liggen in juiste verhouding op de goede plek.

Acht rondjes moesten de renners maken in het centrum. In Parijs ruiken de renners de historie van de Tour de France, de geur van het verlaten nest. Als duiven willen ze terug in het hok.

Het is traditie in de laatste etappe dat de winnaar – al staat hij maar een minuutje voor op de rest – bij het binnenrijden van de stad een paar slokken champagne neemt. Froome nipte uit een plastic glas, want Parijs is ook niet vies van goedkope opsmuk.

Ondertussen zat Dylan Groenewegen verscholen in het peloton, tot het uiterste geconcentreerd om de sprint der sprints te winnen.

Een paar dagen geleden sprak ik kort met de Amsterdammer, bij de start in Embrun. Over het zoeken naar het juiste wiel, het ontbreken van Marcel Kittel. Moest hij wel steeds in een ‘treintje’ naar de finish rijden?

„Treintjes zijn heel erg 2016”, zei ik nog.

Groenewegen keek me kalm en vriendelijk aan. Daar had je weer zo’n betweter met een tip. Hij wist zelf natuurlijk dondersgoed hoe je een sprint moet aanpakken.

De camera in de lucht toonde afstandelijk de pronkjuwelen van Parijs. Centre Pompidou, de Obelisk, Arc de Triomphe. Er werd ingezoomd op het peloton. Groenewegen werd in woeste vaart naar voren geloodst door twee renners.

Dit was geen treintje, meer een escorte.

Vlak voor de laatste bocht kwam de Noorse krachtpatser Alexander Kristoff naast hem rijden. De Nederlandse sprinter leek niet onder de indruk. Met een schouderduw zette hij de Noor op zijn plek: „Weg jij, hier rijd ik!”

Op driehonderd meter voor het einde kwam Groenewegen voorop. Doorgaans ben je dan een prooi voor degene die achter je uit de wind rijdt. Een sprinter kan daar alleen maar rijden als hij zeker weet dat hij die dag de snelste is.

Het gedrongen lijf ramde op zijn pedalen. Zijn handen zwiepten het stuur heen en weer. Met 70 kilometer per uur flitste hartje Parijs aan hem voorbij. Duizenden fans aan de dranghekken, terreurbewakers, chique etalages, het zoontje van Froome, de burgemeester van Parijs.

Groenewegen keek naar voren, naar zijn dijbenen, naar voren. Wanneer hield de pijn in zijn poten op? Greipel, Bouhanni, Boasson Hagen; ze kregen hem niet te pakken.

Met gebalde vuist reed hij over de streep, hij schreeuwde een paar keer. Tussen flitsende fototoestellen herkende Groenewegen de oranje krullenbos van zijn trouwe verzorger Dries Bos. Ze vielen in elkaars armen.

Zo kom je thuis, in Parijs.

Wilfried de Jong is schrijver en programmamaker.