Als eerste over de mooiste eindstreep ter wereld

Tour de France Dylan Groenewegen sprintte op de Champs-Elysées naar de overwinning in de slotrit van de Tour de France. Het was een kwestie van lef tonen: gaan en vertrouwen op de macht in de benen.

Dylan Groenewegen van LottoNL-Jumbo op het podium in Parijs nadat hij de slotetappe van de Tour de France heeft gewonnen. Foto Bas Czerwinksi/ANP

De laatste Tourrit van Montgeron naar Parijs, een defilé voor het hele peloton, behalve voor Dylan Groenewegen. Wat zal de jonge Amsterdammer zich druk hebben gemaakt, al in het vliegtuig van Marseille naar Parijs, zaterdagavond. Zou hij ooit nog een keer zo’n reuzenkans krijgen?

Want ga maar na: de mannen tegen wie hij het eerder deze Tour af moest leggen zaten allemaal al ziek of zwak thuis. Marcel Kittel, zijn grote kwelgeest, viel in rit zeventien uit, Peter Sagan was al de eerste week naar huis gestuurd omdat hij Mark Cavendish de hekken in duwde, de Brit op het asfalt achterlatend met een gebroken schouder. En ook Arnaud Démare, het Franse sprintkanon, winnaar in Vittel, was er niet meer bij: die zondagse monsterrit naar Chambéry was hem net een paar colletjes te lang. Hij kwam buiten tijd binnen, en kon de massasprints op zijn buik schrijven.

Eigenlijk zette Groenewegen, 24 jaar en pas voor het tweede jaar actief op het hoogste niveau van de wielersport, zondagnamiddag koers naar Parijs als grote favoriet voor de belangrijkste sprinterszege in de wielersport. Want ook de bonkige André Greipel was deze Tour zichzelf niet. De Duitser pikte elke Tour waaraan hij meedeed minimaal één etappe mee. Maar deze keer niet, nu legde hij het op de mooiste eindstreep ter wereld voor een sprinter af tegen Dylan Groenewegen, geboren in een wielernest in de Amsterdamse Rivierenbuurt, kleinzoon van Ko Zieleman, vermaard framebouwer.

Onervaren maar veelbelovend

Wat werd er veel van de jongen verwacht, in aanloop naar deze Tour. Aan de vooravond van Le Grand Départ in Düsseldorf vroeg een horde journalisten zich voortdurend af hoeveel beter hij dit jaar naar Frankrijk gekomen was. Want dat het beter moest, was duidelijk. Een jaar geleden kwam hij, net over van Team Roompot, als groentje naar de Tour. Bij LottoNL-Jumbo zette ze voor het eerst vol in op sprintsucces, met Groenewegen als onervaren maar veelbelovende afmaker. Er werd een heuse sprinttrein opgetuigd, maar in de eerste Tour bleef de beloning uit. De trein kwam vaak te vroeg op kop, rond kilometer drie voor het einde zag je de geelgeschouderde renners al in de wind rijden, om in de allesbeslissende laatste meters te worden weggeduwd in de chaos van de andere treinen. Groenewegen, in 2014 als belofterenner winnaar van de Ronde van Vlaanderen, kwam niet verder dan een vierde plaats.

En ook dit jaar hoefde hij van zijn werkgever nog niet te winnen. Volgend jaar is pas het jaar om te oogsten, Groenewegen heeft alle tijd van de wereld om te groeien tot een sprinter van het kaliber-Kittel, die hij in een interview met NRC vorige maand voortdurend „onklopbaar” en „bijna onverslaanbaar” noemde. Maar van Kittel had hij geen last. Die keek de sprint thuis op de bank.

„De truc is dat je zolang mogelijk wacht met naar voren rijden”, zei Groenewegen voorafgaand aan de Tour. Wachten, en toeslaan op het moment dat het best bij je past: bij de Amsterdammer is dat onder ideale omstandigheden zo’n tweehonderd meter voor het einde. Maar bij de massasprint in Parijs gelden andere wetten. Renners zijn moegestreden na drie weken van chaos en extreme inspanning. Niemand haalt meer de vermogens van de eerste week.

Lees ook de column van Wilfried de Jong: De sprint der sprints

Achter de scooter

En dus gaat Groenewegen bij het opdraaien van het laatste rechte stuk op de Champs-Elysées maar gewoon van kop af aan, meer dan driehonderd meter voor het einde, een hemeltergend stuk voor een explosieve sprinter. Hij stuurt helemaal naar links langs de boarding, kijkt naar zijn pompende benen en dan weer naar de finishlijn. Dit is waarom hij al die oersaaie trainingssessies langs de A6 richting Almere week in week uit afwerkte, achter de opgevoerde scooter van zijn vader, om maar meer supersnelle vezels te kweken. Het betaalt zich deze zondagmiddag uit, in een sprint die voor zijn gevoel „een eeuwigheid” lijkt te duren. Hij houdt stand, ook al komen de Noor Edvald Boasson Hagen en de Fransman Nacer Bouhanni akelig dichtbij. De finishlijn had niet nog twintig meter verder moeten liggen, maar wat maak het uit?

Foto Bas Czerwinski/ANP
Foto Bas Czerwinski/ANP
Foto Bas Czerwinski/ANP

Groenewegen wint de meest prestigieuze massasprint die er is. De laatste Nederlander die dat deed was Jean-Paul van Poppel, in 1988, toen Groenewegen nog geboren moest worden.

„Dit is natuurlijk waar iedereen op gehoopt had”, jubelde hij na afloop. „Ik ging vroeg, wat ik de hele Tour al eens wilde doen.” Het was ook een kwestie van lef tonen: gaan en vertrouwen op de macht in de benen. Dat mocht ook: van het hele sprintersgilde bereikte Groenewegen deze Tour meer dan eens de hoogste topsnelheid, ruim boven de zeventig kilometer per uur. Maar zo vaak was zijn krachtsexplosie net verkeerd getimed.

Nu viel alles op zijn plaats. „We kregen veel kritiek, het was niet goed wat we deden. Hoe mooi is het dan dat we vandaag, op de belangrijkste dag voor sprinters, laten zien hoe het werkt en iedereen de mond snoeren. Hier gaan we een lekker biertje op drinken”, aldus de man die in zijn tweede seizoen op topniveau al bewijst dat hij een van de beste sprinters ter wereld is.