Column

Langer doorwerken? Da’s iets voor anderen

Dat was schrikken. De werkgevers in de bouw, de metaal en de installatiebranche, pleitten maandag in Het Financieele Dagblad opeens voor een flexibele AOW-leeftijd. Of voor bevriezing op de huidige 65 jaar en 9 maanden. Maar hé, dat is toch wat de FNV ook wil? Is dit fake news? De werkgevers blijken bang te zijn dat hun mensen hun pensioen alleen nog halen via een sociale uitkering.

Is hier sprake van voortschrijdend inzicht, gebaseerd op feiten en gedrag? Dan zou je zeggen: beter laat dan nooit.

Of mikken de ondernemers op een kongsi met de vakbonden om zich te ontdoen van het lastige probleem dat vergrijzing heet? Als bazen en bonden de politiek onder druk zetten om de verhoging van de AOW-leeftijd te staken, bevrijden zij zich van de last van ouder personeel en draait de overheid verder op voor de kosten.

In het zogeheten lente-akkoord in 2012 heeft het demissionaire VVD-CDA-kabinet samen met een gelegenheidscoalitie in de Tweede Kamer besloten dat de AOW-leeftijd sneller omhoog moet gaan dan eerder was afgesproken. De AOW-leeftijd stijgt tot 67 in 2021. Daarna is de leeftijd gekoppeld aan de stijgende leeftijdsverwachting: elk extra jaar leven vertaalt zich in een extra jaar werken.

Dat klinkt onredelijk. Neem als voorbeeld een mensenleven van 80 jaar: 22 jaar leren, 44 jaar werken (best een hele hijs) en 14 jaar pensioen. Een extra jaar leven is dan ruim een half jaar extra werken. Niet een heel jaar.

Waarom hebben politici deze oneerlijke keuze gemaakt? Ze hadden dringend geld nodig om het begrotingstekort onder 3 procent van het nationaal inkomen te dringen. Ze namen niet de tijd om werkgevers en vakbonden te consulteren. De ingreep heette een hervorming. Maar dat is het niet. Het is een lastenverschuiving. Een verlichting voor de overheid (lagere AOW-uitkeringen, hogere loonbelasting). Een verzwaring voor werkend Nederland: langer doorgaan.

Op de politieke tekentafel klopten de sommetjes, maar de praktijk pruimt ‘t niet. De praktijk is dat werkgevers én werknemers al jaren bang zijn voor de vergrijzing. Werknemers willen dolgraag eerder stoppen. Hoger opgeleiden doen dat op hun 64ste, lager opgeleiden kunnen dat vanwege geldgebrek pas op hun 65ste, bleek vorige maand uit onderzoek van arbeidsmarktinstituut ROA. Van mensen met lage inkomens gaat 51 procent voor de AOW-leeftijd met pensioen, bij hoge en middeninkomens is dat 72 procent, schrijft onderzoeksbureau SEO in een rapport over een flexibele AOW-leeftijd dat vorige week is gepubliceerd. Vraag mensen of zij hun AOW eerder of later willen opnemen en 67 procent zegt eerder, blijkt ook uit het SEO-onderzoek.

Werkgevers op hun beurt wennen tergend traag aan de noodzaak dat hun mensen langer werken. De vergrijzing is de best voorspelde wijziging op de arbeidsmarkt, toch heeft maar 43 procent van de werkgevers maatregelen genomen zodat hun medewerkers langer actief zijn, constateerde TNO vorige maand. Wat werknemers het liefst willen, namelijk eerst een tijdje gedeeltelijk blijven werken en dán volledig met pensioen, zit meestal niet in het werkgeversaanbod.

De politici die nu een kabinet formeren kunnen natuurlijk zeggen: werkgevers en werknemers snappen het kennelijk nog niet, we leggen het nog eens uit. Maar zij kunnen beter de praktijk als uitgangspunt nemen. De samenleving heeft wat langer nodig om zich aan te passen aan de vergrijzing. Dat kost meer tijd, meer flexibiliteit en overgangsregelingen. Ook liberale politici moeten inzien dat de maakbare samenleving een fata morgana is.