De ‘drie vrienden’ bleken topsporters

Hij was er dus ingetuind. Verslaggever Andreas Kouwenhoven maakte voor NRC een verslag van de herdenking in Apeldoorn van de Turkse coup, nu een jaar geleden. Hij sprak onder meer „drie vrienden” die zich tegenover hem bekendmaakten als Demba Ba, Cenk Tisun en Emre Mor. Ze legden uit wat de herdenking voor hen betekende en trokken historische parallellen („Ik vroeg die soldaten, wat doen jullie?”, nrc.next, 12 juli).

Probleempje: Ba, Tisun en Mor zijn niet drie Nederlandse vrienden, maar internationale voetballers, respectievelijk voor Shanghai Shenhua (na een jaar in Turkije), de Turkse club Besiktas en voor Borussia Dortmund alsmede het Turkse nationaal elftal. Hilariteit op Twitter, de site Dutchturks.nl wijdde er direct een stuk aan, ook het AD hing aan de lijn om het naadje van de kous te vragen – altijd leuk, blijkbaar, een collega die nat gaat.

Goeie grap van die jongens, kun je misschien denken. Stel je de verslaggever van een Turkse krant voor die hier op reportage te woord gestaan wordt door de ‘drie vrienden’ Herman van Veen, Gerard Cox en Freek de Jonge. Maar zo leuk is het niet; liegen ondermijnt het vertrouwen in de journalistiek; lezers moeten ervan kunnen uitgaan dat namen echt zijn. Als die al niet kloppen, wat dan wel?

Kouwenhoven kreeg nog dezelfde dag een berouwvolle e-mail van een van de jongens, die geschrokken door de ophef op Twitter zei dat hij het gesprek „prettig” had gevonden, hem bedankte voor het „objectieve en eerlijke artikel” en de hoop uitsprak dat hij door het bedrog geen „problemen op het werk” zou krijgen. Ze hadden namen verzonnen, omdat ze betwijfelden of hun uitspraken „neutraal” in de krant zouden komen. Was getekend: nou ja, ‘Emre Mor’, dus of die e-mail echt is weten we ook niet.

Problemen heeft Andreas er niet mee gekregen, Emre, hij kon er ten slotte ook weinig aan doen; een journalist kan moeilijk bij elk citaat om een paspoort of rijbewijs vragen. Aan de andere kant, dit is weer een goede les in institutioneel wantrouwen: hij én de eindredactie lieten na de namen nog even te googelen voor ze werden gepubliceerd – een gebruik dat bijna standaard is geworden sinds een schandaal bij Trouw, waar de bronnen van een verslaggever voor een sensationeel verhaal over de vermeende ‘sharia-driehoek’ in Den Haag achteraf compleet onvindbaar bleken.

De citaten van de drie werden nadat het bedrog was onthuld meteen verwijderd uit de online versie van de reportage. Wie liegt over zijn naam, liegt immers misschien ook over zijn opvattingen. In die maatregel zit trouwens ook een element van straf en mogelijke afschrikking: liegen over je naam betekent dat je er niet in komt, of op zijn minst dat je er weer uit gaat.

Een terechte ingreep, vind ik, al is de uitleg onder het stuk te summier. Die luidt: „Vier alinea’s zijn verwijderd omdat de daarin geciteerde personen niet hun eigen namen hadden opgegeven”. Inderdaad, maar waarom is dat een reden om niet alleen die namen maar ook alle uitspraken te verwijderen? Completer zou zijn „…en de krant daarom niet kan instaan voor de waarachtigheid van hun uitspraken”.

Tegelijk laat het incident nog eens het dilemma zien van de ambachtelijke regel dat citaten moeten worden toegeschreven. Dat is nodig voor de betrouwbaarheid van een krant, naar het nodigt ook uit tot smoesjes („noem mij maar Jan”) of zelfs leugens. Ook bij NRC is het uitgangspunt dat bij citaten namen horen. Ja, journalisten gebruiken vaak genoeg anonieme bronnen en daar is in het kader van nieuwsgaring niets op tegen, maar voor anonieme citaten moet een goede reden zijn; het belang van het citaat in kwestie moet worden afgewogen tegen het belang van transparantie. De eerste ‘w’ in de journalistiek is immers nog steeds die van ‘wie’ (daarna komen: wat, waar, wanneer, waarom en o ja, hoe).

Die regel moet ook weer geen dogma worden, het hangt van de situatie en gemaakte afspraken af. Lang niet altijd zijn namen nodig of relevant. Fictief voorbeeld: een demonstrant die luidkeels begint te roepen om een nieuwe Tiendaagse Veldtocht, hoeft niet per se een naam te krijgen. Het wordt anders als de verslaggever hem of haar achteraf om een toelichting gaat vragen; dan is het geen losse uitspraak meer, maar wordt het een mening die ‘desgevraagd’ wordt geuit. De krant moet dan kunnen instaan voor de waarachtigheid ervan, althans voor het feit dat dit niet is verzonnen.

Intussen duiken in de media dus geregeld die ‘fractieleden’ en ‘betrokkenen’ op die iets te zeggen of vinden hebben. Kan dat anoniem? Het hangt er maar net vanaf hoe gevoelig, relevant en betrouwbaar hun informatie is. Maar je kunt je voorstellen dat burgers in het zicht van een blocnootje dan ook een beetje clementie willen voor ze zichzelf te kijk zetten.

Daar komt bij, dat wat je nu tegen een journalist zegt allang niet meer na een dag in de kattenbak verdwijnt, maar dankzij Google jaren later kan opduiken, tijdens een sollicitatiegesprek, of een date. Ook dat versterkt de huiver om je naam prijs te geven.

Voor journalisten blijft het zaak, tegen die eigentijdse klippen op, namen te vragen én checken – en spaarzaam te zijn met anonieme citaten.

Hoe dan ook wordt het tijd dat die naamloze taxichauffeur die overal ter wereld journalisten bijpraat, zich nu eens bekendmaakt. Wat een staat van dienst heeft die man!

Reacties: ombudsman@nrc.nl