Pas op dat je geen jongensgek wordt

Lessen van mijn moeder Deze week vertellen auteurs wat zij van hun moeder leerden. Vandaag: actrice Annemarie Oster. „Op het toneel nooit bevreemd in een telefoon kijken als aan de andere kant van de lijn het gesprek wordt afgebroken.”

Mijn moeder was een rare snijboon. Althans, als ze niet op het toneel stond te triomferen. Voelde zij zich op dat afgebakende gebied als een goudvis in het water, in het dagelijkse leven bewoog ze zich beduidend amateuristischer – want in haar hart onwillig – voort. Wat een moeizame bedoening, dat ‘gewone leven’ met al die verhoudingen en huwelijken!

En dan die grachtenhuistrappen, aan iedere hand een boodschappentas! Die mannen moesten verdorie ook nog eten; op de valreep, want vaak stond de toneelbus al om zes uur klaar bij de artiesteningang om naar alle uithoeken van het land te toeren. Maar ja, eenmaal te overzichtelijker plekke: een prachtig vak en dat was het!

Spijt?! Niemand die zoveel van die rare, lieve snijboon heeft gehouden als haar dochter

Tijdens het koken (in een vloek en een zucht maar gek genoeg altijd lekker) stond ze al, een theedoek om haar klassieke kop, met één been op de planken.

Wat ook niet meeviel: een kind opvoeden, al was ze er nog zo „verliefd op!!” zoals in het babyboek, dat ze een paar jaar trouwhartig bijhield, staat te lezen.

Hoewel dat kind vanaf haar vijfde elders was ondergebracht en alleen de weekeinden ‘thuis’ logeerde, kan ik haar adviezen nog steeds dromen. In mijn oren-op-steeltjes klonken ze als toverspreuken. Iedere vorm van aandacht was meegenomen.

Nu eens waren die raadgevingen van huiselijke, dan weer van artistieke aard. En ook het uiterlijk speelde een rol: parels in je oren, daarvan frist je gezicht op. De werkster groeten. Pardon zeggen. Niet sorry (‘Sorry, mijn naam is Corrie’). Met twee woorden spreken. Als logee en/of gast de vrouw des huizes altijd een helpende hand bieden. Gedichten lezen, van Bredero, Leopold, Slauerhoff. Niet van Roland Holst want „daarin waait het altijd zo”. Boeken van schrijvers die ertoe doen: Elsschot, Theo Thijssen. En natuurlijk toneellll: Tsjechov, Shakespeare en de oude Grieken.

En óp dat toneel: niet op jezelf wijzen in een zin met ‘ik’ of ‘mijn’. Nooit bevreemd in een telefoon kijken als aan de andere kant van de lijn het gesprek wordt afgebroken. En – „astanblief”– niet zelf ontroerd zijn in plaats van je publiek. Na een première de acteurs altijd complimenteren, ook als je hun spel vreselijk vond. Of: „interessante voorstelling” prevelen.

Niet te veel over jezelf praten, maar vragen stellen, ook als je er niets van meent. ‘Mooiebenenschoenen’ dragen, dat „verlengt het silhouet en tilt je bips op”. Opa, oma, ooms en tantes bedankbriefjes schrijven. Nooit kwaadspreken. Wel gezellig roddelen.

Op culinair gebied: „Ach, geef dat kind toch een roseetje.” „Hier, een oester. Trek niet zo’n vies gezicht. Nee, geen slakken: escargots! Jawel, die horen bij het grote leven!

Al haar adviezen heb ik ter harte genomen. Alleen dat ene: „Pas op dat je geen jongensgek wordt; een meisje moet zich hoog houden” heb ik iets te vaak in de wind geslagen.

Wel heb ik geluisterd naar haar (in hartenkreet verpakte) goede raad: dat ze niet lief genoeg was geweest voor mijn – overleden – grootmoeder: „Als het te laat is, krijg je spijt”.

Spijt?! Niemand die zoveel van die rare, lieve snijboon heeft gehouden als haar dochter.