Recensie

Op sleeptouw genomen door een manke dwerg

Wie in het jaar 1599 de Karelsbrug overstak en toegelaten werd tot het hof van keizer Rudolf II in de Praagse burcht, betrad een ‘fabuleuze broeikas’ waarin kolkende ambitie, laaghartige kuiperijen en onbekommerde ontucht tot in de hemel groeiden. De Ierse schrijver John Banville verkeerde er al eerder in zijn roman Kepler uit 1981, over Rudolfs hofastronomen Johannes Kepler en Tycho Brahe. Nu keert Banville terug naar dezelfde plaats en tijd onder zijn pseudoniem Benjamin Black, dat hij reserveert voor misdaadromans.

Hoofdpersoon is de fictieve jonge geleerde Christian Stern, die naar Praag is afgereisd met het onrealistische plan zich op te dringen aan de kring wetenschappers aan het hof. Al enkele uren na aankomst raakt hij stomdronken verdwaald in de besneeuwde straten rond de burcht en vindt hij daar het toegetakelde lichaam van Magdalena Kroll, dochter van de keizerlijke lijfarts. Stern staat door zijn vondst en de verdenking die deze oplevert sneller in de belangstelling van de hoogste kringen dan hij had durven dromen, maar ook aanzienlijk ongunstiger.

Door een idioot toeval ziet keizer Rudolf in Stern een goddelijk voorteken en hij wordt gespaard. Sterker: hij wordt door Rudolf belast met het opsporen van de moordenaar van Magdalena. De overdonderde Stern krijgt een piepklein huisje toegewezen dat tegen de muur van de burcht is geplakt. Nog voordat hij vanuit dit hoofdkwartier aan zijn onwelkome taak kan beginnen, verdringen de verschillende facties van het hof zich voor zijn deur, want wie is deze onbekende die zich ineens mag verheugen in privéaudiënties bij de vorst?

Stern wordt op sleeptouw genomen door een manke dwerg, een tonronde nuntius, een nymfomane courtisane en andere op macht beluste figuren en losgeslagen hovelingen. Praag, verzucht Stern tijdens zijn naspeuringen, blijkt een oord ‘waar de grandeur en de weelde van een grote metropolis, niet minder dan het centrum van de wereld, rustte op een stoofpot van smerigheid, ondeugd en geweld’.

Praagse nachten is een vermakelijke historische thriller en schelmenroman waarin Banville een aantal verzonnen en historische personages met aanstekelijke lol van het ene exces in het andere stort. De schrijver geeft in het nawoord grif toe dat hij sommige historische karakters grotesk heeft vervormd, maar tegelijk blijkt juist de werkelijkheid vreemder dan fictie. Tycho Brahe had echt een tamme eland die stomdronken van een kasteeltrap donderde en zijn nek brak en Philipp Lang von Langenfels, de kamerheer van keizer Rudolf, was echt zo’n kleurrijke graaier en intrigant, al deed hij dat niet in kongsi met ene Christian Stern. De mix van feit en fictie werkt uitstekend; dat de schrijver Stern en Johannes Kepler volkomen teut een kroegentocht laat houden door het nachtelijke Praag, onderwijl scabreuze liedjes zingend, zijn fantasieën die je als lezer alleen maar luidkeels toe kunt juichen.