Cultuur

Interview

Interview

Foto Bastiaan Heus

‘Mensen moeten wel naar me wíllen luisteren’

Mickey Huibregtsen voormalig topman McKinsey

De 77-jarige Mickey Huibregtsen voelt de „morele plicht” zijn kennis over te dragen. Vorige maand verscheen zijn boek Management Made Simple. „Besturen draait nu om het managen van opties, niet van een bedrijf.”

De ‘levenslesjes voor Hubies’ tellen zeven A4’tjes. De wijze lessen die de 77-jarige Mickey Huibregtsen aan zijn kleinkinderen – de ‘Hubies’ – wil overbrengen, bestrijken uiteenlopende thema’s, waaronder ‘waarden’, ‘geloof’ en ‘familie’, maar ook ‘autorijden’, ‘genotsmiddelen’ en ‘carrière maken’.

Aan negen van de tien kleinkinderen heeft hij het document „tijdens een individueel diner” overhandigd. Nummer tien, zes jaar oud, is nog iets te jong voor lessen als: „Wees hoffelijk ten opzichte van medeweggebruikers; er is niets zo bevredigend als iemand voor te laten gaan en daar een dankbaar gebaar voor terug te krijgen.” Of: „Vraag jezelf bij het overwegen van een nieuwe baan altijd twee dingen af: a) kan ik wat leren van mijn directe baas en b) heeft hij/zij het beste met mij voor? Als aan één van beide voorwaarden niet wordt voldaan: nooit doen!”

Huibregtsen voelt de morele plicht om zijn kennis over te dragen, zegt hij in zijn tuin in Bilthoven. En niet alleen aan zijn kleinkinderen – in het algemeen. Dat was ook de reden dat hij het boek Management Made Simple heeft geschreven, dat vorige maand uitkwam. „Allerlei ideeën die ik al jaren predik, moest ik kwijt.”

Van 1970 tot 1999 werkte Huibregtsen bij McKinsey & Company, waar hij van 1986 tot 1995 de hoogste baas van Nederland was. Daarnaast zat hij ook jarenlang in het internationale hoogste bestuurlijke orgaan van het organisatiebureau. In de bijna dertig jaar bij McKinsey voorzag hij vrijwel iedere grote onderneming van advies, net als de overheid en talloze goededoelenclubs.

Hij is een analyticus, zeggen mensen die hem goed kennen. Een snelle denker, maar „stronteigenwijs”. Vanwege zijn „sterke persoonlijkheid” - „ego”, zegt de ander – kan hij behoorlijk „lastig” zijn. Zelf weet Huibregtsen zeker dat hij milder is geworden nu hij ouder is. „Voorheen kon ik me niet inleven in het denkpatroon van iemand anders. Ik dacht dat iedereen zo in elkaar zat als ik. Mede dankzij mijn vrouw ben ik op dat punt veranderd. Een voorbeeld: ik onderbreek mensen vaak, want dan heb ik allang begrepen wat ze willen zeggen. Zonde van mijn tijd om te wachten tot ze hun zin hebben afgemaakt. Tegenwoordig excuseer ik me daarvoor.” Met pretogen: „Soms betrap ik mezelf erop dat ik heel vriendelijk zit te luisteren naar totale onzin.”

Wat is de boodschap van uw boek? Dat leidinggeven simpel is?

„Nee, ik zeg niet dat het simpel is. Maar je kunt simpele inzichten heel goed gebruiken om antwoorden te vinden. Ik heb te vaak gezien dat mensen elkaar tegenwerken. In mijn boek geef ik het voorbeeld van een voetbalelftal. Daar weet iedereen waar het doel staat; in de gemiddelde organisatie hebben negen van de tien mensen geen idee. Als een voetballer naast je een fout maakt, dan probeer jij die op te lossen. Bij organisaties gaan mensen wijzen: hij heeft een fout gemaakt. Complexiteit moet je met eenvoud bestrijden.”

Pieter Winsemius, die lang met u samenwerkte bij McKinsey, zegt dat u dingen soms zó simpel maakt dat je het niet meer begrijpt.

„Je kunt dingen in mijn ogen niet te eenvoudig maken. Bovendien: ik reik een idee aan, geen voorschrift. Doe ermee wat je wil, haal datgene eruit waar je wat mee kunt.”

Is het nu zwaarder om topbestuurder te zijn dan dertig jaar geleden?

„Ja. Het is in ieder geval totaal anders. Vroeger kon de baas van een grote onderneming zelf van alles beslissen, nu moet-ie zich in allerlei bochten wringen en alles in de groep gooien. De wereld is sneller aan het veranderen en dus veel onzekerder. Toen ik begon bij McKinsey gaven we organisaties ja/nee-antwoorden plus 1.200 redenen waarom het volgens ons ja of nee was. Toen ik wegging, vertelde ik iedere adviseur: we antwoorden nergens ja of nee op, we mogen alleen maar vragen stellen. Besturen draait nu om het managen van opties, niet van een bedrijf.”

Ik ben milder geworden. Soms betrap ik mezelf erop dat ik heel vriendelijk zit te luisteren naar totale onzin

In zijn boek legt Huibregtsen de link met MaatschapWij, de beweging waarmee hij de laatste jaren zeer actief is omdat hij vindt dat de maatschappij fundamenteel moet veranderen. Het zit op alle niveaus mis, vindt hij. Burgers hebben hun individuele verantwoordelijkheid losgelaten en kijken te veel naar de overheid. Die moet niet alles willen oplossen voor iedereen, maar zou meer moeten „faciliteren en inspireren”. Bedrijven richten zich volgens Huibregtsen te veel op aandeelhouderswaarde in plaats van maatschappelijke ontwikkeling. Politieke partijen hebben hun bestaansrecht verloren, omdat het systeem ze dwingt zich tegen elkaar af te zetten in plaats van samen te werken. „En dan schotelen de media ons ook nog eens de hele dag slecht nieuws voor. Alleen Omroep Max doet dat niet. Die heeft een fantastische programmering. Neem Heel Holland Bakt! Niets leuker dan te kijken naar de eenvoudige Nederlander.”

Volgens oud-voorzitter van werkgeversorganisatie VNO-NCW Bernard Wientjes is Huibregtsen de man die maatschappelijk verantwoord ondernemen predikte voor dat ‘in’ raakte. Huibregtsen beaamt dat. „Ik heb een jaar of vijftien geleden een tv-programma bedacht waarin grote ondernemingen zouden vertellen wat ze op maatschappelijk vlak proberen te doen en welke obstakels ze tegenkomen. Ik wilde dat de gemiddelde burger wat begrip zou krijgen voor de dilemma’s waar die ondernemingen mee te maken hebben. Het is helaas nooit uitgevoerd.”

Doen die grote ondernemingen nu genoeg, volgens u?

„Nee. Het kan altijd beter, want ze hebben een enorm bereik, en daarmee potentieel enorme invloed. Twee redenen waarom ondernemingen maatschappelijk actief moeten worden: 80 procent van het overheidsbeleid wordt voor de uitvoering gedumpt bij de ondernemingen. Die onderneming kan zich maar beter met het beleid bemoeien, zodat wat hij moet uitvoeren ook een beetje werkt. En daarnaast vragen ‘stakeholders’ zich gelukkig in toenemende mate af wat het maatschappelijk nut van een bedrijf is. Dat betrekken ze in hun beslissing om iets van dat bedrijf te kopen of er te gaan werken.”

Wat opvalt is dat de huidige topbestuurders zo afwezig zijn in het maatschappelijk debat.

„Omdat er altijd iemand is die ze aanvalt! Dan kun je het beste maar niks zeggen. Ze kunnen het zich niet permitteren stelling te nemen. Ze kunnen alleen maar verliezen.”

Vindt u dat niet jammer?

„Zeker. Maar het is onvermijdelijk. Je kunt je pas uitspreken als je met pensioen bent.”

Tien jaar geleden bleek Huibregtsen ernstig ziek. „Mijn vrouw en ik waren in een kuuroord in Duitsland. Lekker een weekje ontspannen. In het fitnesscentrum kon ik ineens nauwelijks nog fietsen. Het zuurstofgehalte in mijn bloed was dramatisch. Drie dagen later bleek dat ik leukemie had.” Het was nog erger: acute lymfatische leukemie – met een overlevingskans van 12 procent.

Wat dacht u toen u dat hoorde?

„Niks.”

Dat geloof ik niet.

„Het ligt aan mijn gebrek aan angst. Ik ben absoluut niet bang voor de dood. Ik dacht: als je 55 bent geweest, moet je dankbaar zijn dat je bonustijd krijgt. Die 55 is natuurlijk een willekeurig getal. Maar er komt een moment dat je moet zeggen: ik heb mijn aandeel in deze maatschappij gehad, alles wat ik nu nog krijg is mooi meegenomen. Ik heb in die vier jaar dat ik ziek was geen traan gelaten. Nooit.”

Uw vriend Prem Radhakishun zei voorafgaand aan dit interview dat u zich weigert neer te leggen bij wat anderen als een vaststaand gegeven beschouwen.

„Ik kan me makkelijk aanpassen aan wijzigende omstandigheden. Dan denk ik: oké, nu gelden er nieuwe regels, daarbinnen gaan we het spelen. De eerste weken van mijn behandeling ben ik bijvoorbeeld brieven gaan schrijven aan mijn vrienden. Zat ik ’s ochtends om zeven uur in het ziekenhuis al achter mijn computer te tikken. Grappig genoeg zijn dat heel opgewekte verhalen, want van die medicijnen werd ik nogal high.”

Pieter Winsemius noemde u een chemiefabriek, zo veel medicijnen gingen er in.

„Ik slikte zestig pillen per dag. En ik raakte verslaafd aan een van de medicijnen, fentanyl, dat zijn van die stokjes waar je aan zuigt. Mijn pijnstilteam zei: je kunt zo veel nemen als je wilt, ze zijn niet verslavend. Nou, die dingen hebben nooit geholpen tegen de pijn, maar ik kon niet meer zonder. Ze bleken dertig keer zo verslavend als opium. Ik leefde in cycli. Na zo’n ding leefde ik op, dan kon ik weer een beetje een conversatie voeren. Na twee uur stortte ik geleidelijk in. Mijn vrouw zag dat aankomen en zei dan: ga maar weer naar bed. Maar uiteindelijk is het allemaal redelijk goed gekomen.”

Aan zijn ziekte hield Huibregtsen een stijf been over, veroorzaakt door een infectie aan zijn knie, opgelopen door een „vernietigd” immuunsysteem. Ook heeft hij geen gevoel meer in zijn voeten. Hij weet dat hij blij moet zijn dat hij nog leeft, toch baalt hij van de fysieke gebreken. „Een half jaar eerder was ik nog nationaal squashkampioen van de veteranen.”

Dat hij niet meer kan squashen, dat vindt hij echt jammer. Laatst heeft hij het nog eens geprobeerd. „Ik moet nu twee of drie keer per week naar de fitness en dan kom ik altijd langs de squashbaan. Dan zie ik die mensen en denk ik: mán, als ik stil sta op de middenstip versla ik jullie nog. Maar toen ging ik laatst een balletje slaan met mijn trainer, en wat bleek? Daar heb je gevoel in je voeten voor nodig! Ik raak geen bal meer.”

Vanaf 1990 was Huibregtsen voorzitter van sportkoepel NOC*NSF. Daaraan kwam in 1998 een eind toen hij voor het lidmaatschap van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) werd gepasseerd door toenmalig kroonprins Willem-Alexander. Het werd een rel toen Huibregtsen de prins in de Volkskrant uitmaakte voor judas, lafaard en saboteur. Huibregtsen heeft altijd ontkend dat deze benamingen over Willem-Alexander gingen en heeft in een rechtszaak grotendeels gelijk gekregen.

Volgens voormalig volleybalcoach Joop Alberda, later technisch directeur van NOC*NSF, heeft Huibregtsen te weinig erkenning gekregen voor zijn verdiensten als voorzitter van de sportkoepel. „De fantastische prestaties van Nederland tijdens de Olympische Spelen van Sydney in 2000 hadden we voor een groot deel aan Mickey te danken.” Dat jaar behaalde Nederland 25 medailles, een record dat nooit meer is geëvenaard.

Heeft de IOC-affaire u diep geraakt?

„Ik was vooral geschokt door de onrechtvaardigheid van wat daar gebeurd is. Die was van ongekende proporties. En dat niemand zich daartegen verzette. Ik was met 97 procent van de stemmen van 6 miljoen Nederlanders gekandideerd voor het IOC. En daar lopen een Erica Terpstra, een Hein Verbruggen, een Wim Kok en het héle koningshuis dwars doorheen. En dan kunnen ze niet even de moeite nemen om mij te bellen?!”

Vooral dát heeft u als een dolksteek ervaren?

„Ja, ik moest het horen van mijn zoon. Die belde me, vlak voor ik in Amerika op een vliegtuig stapte. Pure stupiditeit. En de prins was niet sterk genoeg om er iets tegenin te brengen. Willem-Alexander heeft daar zijn verontschuldigingen nog voor aangeboden, maar zijn moeder vond dat dat niet gezegd hoefde te worden.”

U wordt er nog boos van?

„Ik kan niet tegen onrecht. Van het hele interview klopte geen bal. Het enige wat ik waarschijnlijk heb gezegd is ‘ja’, toen die journalist zei: ‘Wat laf.’ En ik heb gezegd dat ik het gevoel had dat de prins mij probeerde te ontwijken. Dat was ook zo. Heel nadrukkelijk. Maar al die andere woorden hadden niks met de prins te maken.”

Hij is even stil. Dan zegt hij: „Na alle incidenten heb ik met de kroonprins weer een goede relatie opgebouwd. Een paar jaar later is hij toegetreden tot het bestuur van de Avond van Wetenschap & Maatschappij, waar ik oprichter en voorzitter van was. Ach, het is niet iets wat ik altijd met me meedraag. Mijn leven hangt er niet van af.”

Maar toch. Tijdens het koffie zetten zei u daarstraks dat u kampt met een imagoprobleem.

„Jaha, dat komt door die affaire én doordat ik de baas van McKinsey was, wat door de helft van het land verfoeid werd. Persoonlijk zit ik er niet zo mee, maar ik wil dingen veranderen in de maatschappij. Ik wil iets voor elkaar krijgen. Dan moeten mensen wel naar me wíllen luisteren.”