Recensie

Hoera, deze vrouw valt niet in katzwijm!

Niets is zwart-wit in de Victoriaanse tweede roman van Sarah Perry, waarin Essex geteisterd wordt door een monster.

Illustratie Paul van der Steen

Toen Sarah Perry (1979) hoorde over de tijd dat er in Essex paniek bestond over een mogelijk watermonster, gingen bij haar alle radertjes draaien. Stel je voor, dacht ze, dat zo’n monster niet in 1669, maar ná Darwin, zeg 1893, gespot zou worden. Het resultaat is haar tweede roman: Het monster van Essex, onder meer bekroond met The British Book Award.

In het eerste, korte hoofdstuk, zwerft er op oudejaarsavond een jongen naar de Blackwater, de rivier: ‘Het oppervlak van de riviermonding verschuift en lijkt – hij doet nog een stap naar voren – te trillen, te kloppen. Dan wordt het glad en stil om daarna nog één keer te schokken, alsof het schrikt van een aanraking.’

De jongen wordt de volgende dag dood teruggevonden, ‘naakt, zijn hoofd bijna honderdtachtig graden gedraaid, een angstige blik in zijn wijd opengesperde ogen’.

Een gothic novel in Victoriaanse setting, maar nét even anders. Weg met die eeuwig in katzwijm vallende vrouwen! Hier zijn ze geïnteresseerd in wetenschap en politiek, en weten ze dondersgoed dat hun vrouw-zijn het er niet makkelijker op maakt. Een voorzichtige vergelijking met voornaamgenoot Sarah Waters is op z’n plaats, ware het niet dat Perry erin slaagt verder te kijken dan de romance, en dieper dan louter klasseverschillen. Misschien slaagt ze er vooral in haar onderwerpen vrolijker tegemoet te treden.

Truttige Londense taart

Perry vertelt met vaardige pen (let op de subtiele perspectiefwisselingen) over de Londense Cora Seaborne: vers weduwe van een bruut van een man, met een zoon onder haar hoede die tegenwoordig vermoedelijk autistisch genoemd zou worden, maar in de negentiende eeuw gevrijwaard blijft van een stempel. Mooi: hoe Cora heen en weer geslingerd wordt tussen groot geluk en toch ook rouw om de man die haar mishandelde, ‘alsof een vitaal orgaan dat ze gedeeld had met haar overleden echtgenoot nu langzaam wegkwijnde door eenzijdig gebruik’.

Het schrijfplezier van Perry zoemt door de hele roman heen

Cora moet er even uit; ze vertrekt naar Colchester, Essex, waar ze hoort over een monster dat in de rivier Blackwater zou huizen. Om daar onderzoek naar te doen (ze heeft een grote interesse voor paleontologie) bezoekt ze op aanraden van een vriend William Ransome, een dominee verderop aan de rivier. Die ontvangt haar aanvankelijk met tegenzin: niet alleen zal ze wel een truttige Londense taart zijn, ook het monster zit hem nogal dwars. Hij probeert namelijk uit alle macht zijn gemeente ervan te overtuigen dat het niet bestaat. En dat alle ‘mysterieuze’ sterfgevallen helemaal niets met een heidense legende te maken hebben.

Maar Cora is geen hautaine Londense, en William is allesbehalve de stugge knar die zij verwachtte. Onder toeziend oog van de wonderschone Stella, de echtgenote van de dominee, in delirische staat door haar tuberculose, ontstaat er een hechte vriendschap tussen die twee. Die misschien wel liefde is, maar maakt dat iets uit?

Met Cora mee reist Martha, een socialistische, lekker sarcastische dienstbode, die zelfs bij haar in bed slaapt (liefde? Vriendschap? Maakt het iets uit?). Achter Cora aan reizen de arts die wijlen haar echtgenoot behandelde en daarbij als een blok voor haar viel, met zijn stinkend rijke collega en vriend, die spontaan smoor wordt op Martha en zich daarom ineens in gaat zetten voor de arbeidersklasse. Ondertussen waadt dat monster nog steeds door de Blackwater, het doet zich tegoed aan geiten en kinderen. Cora verheugt zich op de roem die haar ten deel zal vallen wanneer ze zal ontdekken dat het geen monster, maar een dinosaurus is. Er is immers nog zo veel te ontdekken, in de natuur.

In Het monster van Essex is niets zwart-wit. Rouw niet, geluk niet, liefde niet en vriendschap niet. Het verschil tussen geloof (William) en rede (Cora) is zo groot nog niet. En wat volgens de Victoriaanse mores zwart-wit zou moeten zijn wordt vanzelf een schemergebied; zo blijken vrouwen bijvoorbeeld de intelligentie ‘van een man’ te kunnen bezitten. Verrek!

Het heerlijke van dit boek is dat het, naast van geweldig geformuleerde (en vertaalde!) zinnen, overloopt van nuance en snedige humor. Vooral de personages onderling kunnen elkaar er meer of minder liefdevol van langs geven. ‘Ik heb haar nog nooit zo gelukkig gezien’, zegt Martha over Cora, ‘hoewel haar soms even te binnen schiet dat ze dat niet behoort te zijn en dan trekt ze haar zwarte jurk weer aan en gaat ze als een artistiek verantwoord rouwtableau voor het raam zitten.’

Dreigende zeedraak

Het schrijfplezier van Perry zoemt door de hele roman heen, wat het leesplezier alleen maar aanwakkert. Naast die vileine gesprekjes is ze heel sterk in de beschrijvingen van de donkere rivier en de dreigende zeedraak, de angst die zoiets oproept: ‘Met de nacht op zijn hielen draaide hij zich om en zag hij de witte maan opkomen met haar geschonden gelaat. De wind zwol aan in de rietkraag, van waaruit één treurige toon opklonk. Will voelde een versnelling achter zijn ribben die verdacht veel weg had van angst en lachte die weg.’ Die maan ‘met haar geschonden gelaat’ mag al te dramatisch klinken, maar het is een dramatiek die uitstekend in het moment past, en bij de gemoedstoestand van de dominee.

Daarmee kun je Perry zelfs een korte scène vergeven die we wellicht nog eens langs zullen zien komen bij de jaarlijkse Bad Sex Awards. En ach, ook daarmee kan ze zich bij de groten voegen.