Recensie

Het vreemde vermaak van lezen

Het genot van het ontdekken van een nieuwe schrijver, zoals mij overkwam met Jane Gardam.

Eens in de zoveel jaar raak ik verslaafd aan een schrijver en wil ik alles van hem of haar lezen. Zo had ik dat lang geleden met Tsjechov, Elsschot, A. Alberts en W.F. Hermans. Later kwamen daar Stendhal, Joseph Roth en Thomas Mann bij. Maar mijn opwindendste ontdekkingen deed ik in de Angelsaksische literatuur met Philip Roth, John Cheever, Graham Greene, William Trevor en Evelyn Waugh. De laatste leerde ik kennen via de televisieserie gebaseerd op zijn roman Brideshead revisited, waarvan de film overigens beter is dan het boek. Sindsdien kan ik geen Engelse roman meer lezen zonder de melancholieke vertelstem van acteur Jeremy Irons te horen.

Het genot van zo’n ontdekking heeft alles te maken met het vreemde vermaak dat lezen heet, zoals literatuurwetenschapper S. Dresden het ooit noemde. Onlangs beleefde ik dat gevoel voor het eerst sinds jaren, toen ik dankzij het boekenpanel van televisieprogramma DWDD de Britse schrijfster Jane Gardam (1928) ontdekte. Ik las haar roman Old Filth (vertaald als Een onberispelijke man) en raakte meteen verslaafd. En ja hoor, daar was Jeremy Irons weer.

Ineens besefte ik dat zijn aanwezigheid in mijn leeservaring er ongetwijfeld mee te maken had dat een vertaling nooit tegen het origineel op kan. Want zo’n oorspronkelijke tekst bevat de klanken, de geuren en de cultuur van de schrijver zelf. Alleen daarom al is het zo fijn om een Engelse roman in het Engels te lezen.

Old Filth is het eerste deel van een trilogie waarin de Engelse ziel wordt ontleed. Hierin staat de succesvolle rechter en advocaat Sir Edward Feathers centraal, wiens bijnaam Old Filth (Failed In London Try Hongkong) luidt. Met veel zwarte humor en tegen de achtergrond van de Britse koloniale geschiedenis wordt in een poëtisch Engels zijn leven gereconstrueerd: zijn geboorte in het oerwoud van Malaya waar zijn moeder aan tropenkoorts sterft, zijn liefdeloze jeugd bij zijn door shellshock getraumatiseerde vader die in diezelfde groene hel bestuursambtenaar is, zijn repatriëring naar Engeland waar hij in een pleeggezin belandt, zijn tijd op kostschool en in Oxford, de Tweede Wereldoorlog, zijn eerste schreden als advocaat, zijn passieloze, maar toch redelijk gelukkige huwelijk met Betty, die een verhouding heeft met Teddy Veneering, zijn aartsvijand en tegenstander in de Hongkongse rechtbank. Het is de schone schijn, zoals die alleen in het Engeland van de ‘betere kringen’ bestaat en waarachter die gemeenschappelijke deler van zoveel romanpersonages schuilt: een onmetelijke eenzaamheid.

In deel 2, The Man in the Wooden Hat, wordt hetzelfde verhaal verteld, maar dan vanuit het perspectief van Betty, die ondanks haar oprechte liefde voor Old Filth blijft verlangen naar Veneering, met wie ze één keer het bed heeft gedeeld. En in het derde deel, Last Friends, is Veneering aan de beurt.

Het resultaat van die trilogie, die ik de afgelopen week heb verslonden, is dat je van alledrie gaat houden, zoveel begrip krijg je voor hun levens en geheimen, zo goed kun je je identificeren met hun eenzaamheid. En dat is misschien wel het grote geheim van Gardam. Juist daarom ben ik zo blij dat ze nog twintig andere boeken heeft geschreven en ik de hele zomer in haar wereld kan blijven ronddolen.