Opinie

Harm Fitié werd het slachtoffer van de Chinese ‘rechtscultuur’

, socioloog aan de Universiteit van Peking, volgde de strafzaak tegen zijn landgenoot Harm Fitié op de voet. Een ontluisterend proces, in Nederlandse ogen, maar normaal in het licht van de Chinese familiecultuur.

Harm Fitié werd voor doodslag op zijn Chinese buurman tot twaalf jaar cel veroordeeld. In hoger beroep is dat bijgesteld naar 4,5 jaar.

De nervositeit slaat om in een lichte opluchting. Ik zit met een plukje westerlingen op de vrijwel lege publieke tribune van het hooggerechtshof in Peking. De in Peking woonachtige Nederlander Harm Fitié is zojuist in hoger beroep opnieuw veroordeeld voor doodslag op zijn Chinese buurman, maar de straf is gedaald van twaalf tot vier en een half jaar.

De rechter zei dat de strafvermindering een beloning is voor het feit dat de familie en vrienden van Fitié 500.000 RMB (64.000 euro) aan smartengeld aan de familie van het slachtoffer betaalden. Fitiés overgevlogen vader en Franse vriendin, die al twee jaar voor hem vechten, herpakken zich. De vrouw van de buurman is ontevreden met het oordeel en huilt tranen met tuiten bij de ingang.

Velen in de Pekingse expat-gemeenschap kennen Fitié persoonlijk. Ik ken hem niet, hoewel ik op een steenworp van zijn huisje in de binnenstad woon. Maar ik ben gekomen uit protest tegen het oneerlijke proces dat hij onderging. Dat is ook waarom de Nederlandse consul en een afgevaardigde van de EU in de zaal zitten. Eerder stelde een door Buitenlandse Zaken aangestelde vertrouwensadvocaat dat de zaak rammelt.

In de nacht van zes op zeven mei

Nog één keer het verhaal van Fitié. In de nacht van zes op zeven mei, 2015, wordt hij wakker van zijn stomdronken buurman die op het dakterras luid zijn keel schraapt. Fitié stormt het gedeelde dakterras op om te klagen en er ontstaat een ruzie die door andere buren wordt gehoord. Volgens Fitié is zijn dronken buurman, die op de dakrand stond, op dat moment naar beneden gevallen omdat hij zich verstapte. De familie van de buurman stelt echter dat hij door Fitié naar beneden is geslagen. Maar omdat niemand iets heeft gezien en er weinig is onderzocht, blijft het gissen. Fitié rende naar beneden om de man te helpen, maar het mocht niet baten. Toen de ambulance aankwam, was de buurman al buiten bewustzijn. Hij overleed even later op de eerst hulp.

Fitié werd gearresteerd en sindsdien hebben familie en vrienden hem alleen nog tijdens zittingen gezien. Zes dagen na de arrestatie veranderde de volwassen zoon van de buurman zijn oorspronkelijke verklaring. Hij had eerst gezegd dat toen hij aankwam in de steeg, zijn oude vader al volledig bewusteloos was. Maar in de nieuwe verklaring zou de vader nog net de laatste woorden ‘de buitenlander sloeg me’ hebben gefluisterd. De familie Fitié denkt dat het de familie van de buurman te doen was om smartengeld. En dat geld hebben ze gekregen, omdat de familie Fitié was verteld dat dat de enige manier was om de straf naar beneden te krijgen. In China worden mensen bijna nooit vrijgesproken in strafzaken, zeker niet in een hoger beroep.

Hoewel niemand behalve Fitié zelf kan weten wat er nu wel of niet op dat dakterras is gebeurd, schieten westerse expats die al langer in China wonen meteen in een kramp. ‘Wéér zoiets!’ schiet er door ons heen. De zaak herinnert ons aan het slechtste van China: wantrouwen, opportunisme, de zwakke rechtsstaat.

Wantrouwen en opportunisme

Ten eerste het wantrouwen. Hoe je de waarschijnlijkheid van de beide scenario’s inschat, zegt veel over je mensbeeld. Ik denk dat de kans groter is dat een stomdronken man zich op het dak verstapt, zeker als hij wordt afgeleid door een ruzie, dan dat iemand opeens zo boos wordt dat hij zijn buurman van het dak duwt. Dat laatste kan wel, maar het is minder waarschijnlijk. Maar dat is lievig Nederlands denken. Toen ik de vraag aan een bevriende Chinese journaliste voorlegde, stelde ze dat als er ruzie was en er vervolgens iemand dood in de steeg ligt, er waarschijnlijk is geduwd.

Ten tweede: de opportunistische schadeclaimcultuur. Als er hier een ongeluk gebeurt, is men altijd als eerste met de eigen portemonnee bezig. Een paar weken geleden zag ik een man demonstratief mokkend midden op straat zitten. Naast hem lag een leenfiets en voor hem stond een geparkeerde auto waarvan de chauffeur was uitgestapt. Het bleek dat de zittende man van zijn fiets was gebotst en nu geld eiste van de automobilist: „Ik sta niet op totdat de politie hier is of ik 9.000 Kuai (1.160 euro) van je heb.” Hij en zijn goedkope leenfiets leken niets te mankeren, maar excuses kun je niet op je bankrekening zetten.

De schadeclaimcultuur is zo geëscaleerd, dat veel mensen niet meer durven te helpen bij ongelukken, omdat slachtoffers soms een helpende omstander de schuld geven als de echte schuldige ontraceerbaar is en ze iemand zoeken om geld uit te trekken. Geboden hulp kan dan zelfs tegen je worden gebruikt, want als je echt geen schuld had om goed te maken, waarom hielp je dan?

Er is het beroemde verhaal van Peng Yu die in 2006 een oud vrouwtje hielp dat was omgevallen. Hij reed haar naar het ziekenhuis en bleef in de wachtkamer zitten om te zien hoe het met haar ging. Vervolgens beschuldigde de familie van de vrouw hem ervan haar leed veroorzaakt te hebben en probeerde de medische kosten op hem te verhalen. De rechter oordeelde dat Peng wel schuldig moest zijn, ‘want het druist tegen het gezonde verstand in om zoveel hulp aan te bieden als je niets op je kerfstok hebt’.

En jawel hoor: precies deze logica kwam nu langs in de rechtszaal! De rechters gaven toe dat het eerder gebruikte ‘bewijs’ niet geheel betrouwbaar was, maar stelden dat Fitié toch schuldig moest zijn. De rechter zei: „Fitié is een man van gezond verstand. Hij rende naar beneden om de buurman te helpen en probeerde hem te reanimeren, dus hij moet wel een schuld hebben gehad om goed te maken.” Fitié, die tot dan toe volledig stil was gebleven, interrumpeerde en vroeg tot drie keer om vertalingen en herhalingen van die laatste zin. Zijn gewoonlijk zeer serene vader viel bijna van zijn stoel van verontwaardiging.

Niet-empathische maatschappij

De claimcultuur ontspringt uit een breder egoïsme in de Chinese maatschappij. Naast het alomtegenwoordige machtsmisbruik in de politiek en de zakenwereld, uit dit egoïsme zich vooral in een oneindigheid aan alledaagse lulligheidjes. Voordringen, klemparkeren, iedereen opzij toeteren. Anderen lijken niets waard in hun ogen.

Men denkt vaak dat het gebrek aan empathie komt door de communistische erfenis of juist door het afsterven daarvan, maar dat is huis-tuin-en-keuken sociologie. Als je je inleest blijkt dat dit een Chinees cultuurfenomeen is waar al eeuwen met verbazing over wordt geschreven. Lin Yutangs My Country and My People uit 1935 en Townsends Ways that are Dark uit 1933 stelden al dat China niet collectivistisch is; het is een land van families. Alle zorgzaamheid richt zich op de eigen familie en het persoonlijke netwerk. Iedereen daarbuiten is, zeker in het overbevolkte en hyper-competitieve moderne China, vooral concurrent en sta-in-de-weg.

Chinese kinderen worden ook veel minder dan Nederlandse kinderen gesocialiseerd in hobbyclubs en verenigingen. De opvoeding is verticaal, gericht op de ouders en de leerkrachten; jongeren hebben weinig vrienden. Dat ken ik ook uit mijn onderwijservaring. Mijn Chinese studenten op de Peking Universiteit hebben nauwelijks hobby’s of algemene vaardigheden ontwikkeld omdat ze van hun ouders alleen mochten studeren. Onderwijs in post-confuciaanse culturen is immers een darwinistische strijd. Op die manier groeit men op in een tweeledige wereld: beschermende familie enerzijds, hypercompetitief onderwijs anderzijds. De wereld buiten de familie bestaat uit concurrenten die je alleen kunt wantrouwen.

Ten slotte is China een zogeheten schaamtecultuur, in tegenstelling tot een schuldcultuur. Wij Nederlanders voelen ons snel schuldig, ook als niemand iets heeft gezien, omdat we ergens in ons voelen dat God of een andersoortig universeel principe ‘meekijkt’. In China is men meer extern gericht op het vermijden van straf en schade voor de eigen familie of het eigen netwerk. Als je ergens mee wegkomt, hoef je je niet schuldig te voelen.

Het is daarom ook ondenkbaar dat het hooggerechtshof vanuit een roeping om het goede te doen, het eerdere oordeel volledig zou hebben verworpen. Waarom zouden de rechters die het hoger beroep behandelen een conflict riskeren met politiechefs en andere rechters (binnen overlappende partijnetwerken), voor iemand zoals Fitié die ver buiten al die netwerken staat? Er ligt geen voordeel in voor henzelf. Dat is ook waarom de Nederlandse diplomaten hun best deden de laatste twee jaar, want naast geld is status het enige waarnaar wordt geluisterd.

Het hielp. De strafduur is in het hoger beroep maximaal gedaald. Fitié wordt zelfs niet meer automatisch gedeporteerd nadien. Dat was belangrijk voor Fitié. Hij had eerder al kenbaar gemaakt dat hij in China wil blijven na zijn straf en vroeg aan het einde na bij de rechter of hij echt mocht blijven. Dat hij China blijkbaar niet haat, verbaasde sommigen op de tribune. Maar zijn vader begrijpt het wel. Hij had mij bij de ingang al gelaten verteld dat hij zelf ook „zowel goede als slechte ervaringen heeft met China”.