Raakte een Nederlandse bom de taxi van Mohammed?

Bombardementen Mosul

Een internationale coalitie hielp met bombardementen Mosul van IS te bevrijden. Nederland voerde er 1.800 uit. „Waarom werden wij getroffen, terwijl zichtbaar was dat het om burgers ging?” Het verhaal van Mohammed en Ebtehal.

De zwaar gehavende Oude Stad van Mosul, met de Al-Nuri-moskee, op 4 juli, waar IS werd verdreven. Foto Felipe Dana/AP

Mohammed Ahmed kijkt op het dashboardklokje van de taxi. 07.40 uur, ze zijn al een paar uur aan het rijden. Hij vraagt de taxichauffeur om een sigaret. „Nog even wachten”, zegt die. „We zijn bijna in veilig gebied.” Veilig, dat wil zeggen: IS-vrij. Als zijn moeder schrikt van het geluid van overvliegende bommenwerpers, draait Mohammed zich lachend naar haar om. „Niet bang zijn, mama, die vliegtuigen zijn er juist om ons te beschermen.” Daarna is er niets meer, tot het moment dat hij voelt dat hij in brand staat.

Iraakse troepen verklaarden eerder deze maand dat ze terreurorganisatie IS uit Mosul hadden verdreven. Dat deden ze met behulp van luchtaanvallen door een internationale coalitie waaraan ook Nederland deelneemt. Volgens cijfers van het Amerikaanse Central Command zijn bij die aanvallen 603 burgerslachtoffers gevallen. Schattingen van andere waarnemers, zoals transparantiecollectief Airwars, liggen op minimaal 4.500.

Sinds IS het gebied in juni 2014 overnam, voerden de Verenigde Staten en hun bondgenoten meer dan 23.000 luchtaanvallen uit, waarvan Nederland er 1.800 voor zijn rekening nam. Heeft één van die duizenden bommen de taxi van Mohammed geraakt? Het kan: Nederland voerde in die week 27 luchtaanvallen uit in Irak.

Om vijf uur uit Mosul vertrokken

Achter een onaangeroerd glaasje sap kijkt Mohammed mat voor zich uit, terwijl hij tot in detail opdreunt hoe die bewuste dag, nu tweeënhalf jaar geleden, verliep. „Het was 26 januari 2015. We vertrokken ’s ochtends om vijf uur uit Mosul, mijn moeder en ik.” Hij woonde alleen met zijn moeder, die lichamelijke opvoeding doceerde aan de Universiteit van Mosul; zijn vader was al voor zijn geboorte overleden. Mohammed was net afgestudeerd in sportfysiologie en was daarnaast fanatiek zwemmer. Hun vertrek uit de door IS geterroriseerde stad hadden ze zorgvuldig gepland. „Andere familieleden waren een paar dagen eerder vertrokken, wij gingen als laatsten omdat wij als vrouw en zoon minder zouden opvallen dan een heel gezin”, zegt Mohammed. Toen het zover was, verzamelden ze zijn diploma, haar universiteitspapieren en nog wat noodzakelijke documenten, en stapten in één van de zes taxi’s die Mosul die ochtend in stilte zouden verlaten.

Het bescheiden konvooi vertrok richting Bagdad over de enige toegankelijke weg vanuit Mosul, langs de Syrische grens en via Karbala. De chauffeur had net gemeld dat ze het gevaarlijke gebied bij Sinjar waren doorgekomen, toen hun taxi werd geraakt. „De mensen uit de taxi’s achter ons stopten en stapten uit om eerste hulp te verlenen”, vertelt Mohammed. In een van die taxi’s zat Ebtehal Yosef, die lessen volgde bij Mohammeds moeder, met haar echtgenoot Saif en een andere universitair docent met zijn vrouw. „Van Saif hoorde ik dat het om een luchtaanval ging, zelf zag ik niks meer”, vertelt Mohammed. Hij werd in halfbewuste toestand op een pick-uptruck gelegd en vervoerd naar een kliniekje, terug in IS-gebied. Zijn vluchtpoging was voorbij.

Ondervragers IS bij ziekenhuisbed

Zodra hij bijkwam, vroeg hij naar zijn moeder. „Ze ligt op de vrouwenafdeling, ze wordt behandeld”, kreeg hij herhaaldelijk te horen. Naar haar toe mocht hij niet. Hij ving in de kliniek op dat een vrouwelijk slachtoffer van een luchtaanval was binnengebracht van wie het been was geamputeerd, en dacht: „Daar komen we wel overheen, we leven tenminste allebei.” Toen eindelijk iemand de moed had hem te vertellen dat zijn moeder was omgekomen, wilde Mohammed het eerst niet geloven.

„Mijn moeder was mijn alles”, zegt hij. „Omdat ik mijn vader nooit gekend heb, was zij mijn moeder en vader ineen. Zij was degene die mij aanmoedigde door te gaan met sporten, met studeren…” Midden in zijn verdriet stonden de ondervragers van IS aan zijn ziekenhuisbed. „Waarom wilde je ons in de steek laten, wat moest je bij de ongelovigen?” Nogmaals proberen te ontsnappen was geen optie. „Terug in Mosul werden we voortdurend in de gaten gehouden. Eén verkeerde beweging zou de doodstraf betekenen.” Tot de bevrijding zou hij nauwelijks meer buiten komen.

Het verhaal van het bombardementsslachtoffer op de vrouwenafdeling bleek niet alleen maar een leugentje om Mohammed de confrontatie te besparen. Tot zijn verbijstering was er echt een vrouw uit hetzelfde konvooi binnengebracht. Het was Ebtehal, de jonge studente van zijn moeder.

Ebtehal Mohammed Yosef voor de luchtaanval van 26 januari 2015.
Mohammed Ahmed voor de luchtaanval van 26 januari 2015.

Tweede luchtaanval op konvooi

„Nog geen twintig minuten nadat de overige taxi’s na de eerste noodstop weer op weg waren gegaan, trof een tweede luchtaanval het konvooi”, zegt Ebtehal. „De andere taxi’s durfden toen natuurlijk niet meer te stoppen om ons te helpen.” Alleen de nu 26-jarige studente overleefde, haar kersverse echtgenoot Saif en de drie andere inzittenden kwamen om.

Na het ongeluk stortte Ebtehal in, vertelt haar tante, bij wie ze drie jaar als een miezerig hoopje op de bank zat. Ze was haar man verloren en was daarnaast een oog en een been kwijtgeraakt, terwijl er voor niet-IS’ers geen goede medische behandeling voorhanden was. Ook kon ze niet verder met haar studie „Ik had juist geprobeerd Mosul uit te komen om in een andere stad examen te kunnen doen zodat ik kon blijven studeren”’, zegt Ebtehal. Nu was ze terug onder de heerschappij van de mensen die ze haatte – maar dan zonder man, oog en been. „Mijn leven was ten einde.”

Nu IS is verdreven, probeert de stad zich langzaam te herwinnen. Hoewel her en der nog mortieren landen en autobommen een constante dreiging blijven, worden straten geveegd en keren vluchtelingen vanuit de overvolle kampen terug naar hun deels ingestorte huizen. In een straatje achter het verwoeste Al-Salam-ziekenhuis zit Ebtehal weer bij haar oom en tante thuis op de bank. Maar ze ziet er niet meer uit als een hoopje ellende. Zodra de weg vrij was, ging ze naar Kirkuk, op bijna drie uur rijden van Mosul, om alsnog haar examens te doen en af te studeren. Opgewekt vertelt ze dat ze onderzoek gaat doen naar sport en gehandicapten. „Het gekke is dat ik altijd al met gehandicapten wilde werken. En nu heb ik zelf dus een been minder.”

Mohammed zegt met zijn moeder ‘alles’ verloren te zijn. Het huis waar ze samen woonden, durft hij niet meer in. Te pijnlijk. Toch pakt ook hij sinds de bevrijding langzaam zijn leven weer op. Hij reist vanuit zijn nieuwe woonplaats Erbil stad en land af om zijn universiteitspapieren te regelen zodat hij hopelijk elders verder kan studeren, en hij laat zien welke oefeningen hij dagelijks doet. Hij is geopereerd aan zijn hand en moet nog een tweede operatie ondergaan om hem weer goed te kunnen bewegen. Ooit was hij lokaal zwemkampioen, dat zal hem nu niet meer lukken, maar hij sport zo veel mogelijk „om niet aan de leegte te denken”.

Mohammed en Ebtehal maken dus voorzichtig weer toekomstplannen, maar ze blijven worstelen met die ene vraag: waarom? „Ik wil weten waarom mijn leven werd vernietigd”, zegt Ebtehal. „Waarom werden wij getroffen, terwijl duidelijk zichtbaar was dat het om burgers ging?” En vooral ook: hoe kon het dat het konvooi een tweede keer werd getroffen?

„Áls de eerste taxi al bij vergissing was aangevallen, dan moeten ze toen wij uitstapten toch hebben gezien dat er vrouwen en kinderen bij waren? Waarom vielen ze dan toch aan?”

Dit artikel is tot stand gekomen met steun van Journalismfund.eu.