Column

Geslaagde dag

‘Getverdemme, het is weer eens écht mooi weer”, zucht mijn zus als ze me binnenlaat. Ik snap niet waar ze moeilijk over doet: ze is vrij vandaag, haar kinderen zijn er niet, we zijn van plan om de hele middag naast elkaar op de bank te gaan lezen (dat is het beste van familie: je kan gewoon samen zijn terwijl je niet hoeft te praten) en de zon straalt zichzelf een ongeluk. Ik volg haar naar de keuken, waar ze gemberlimonade inschenkt.

„Zet jij anders even wat stoelen buiten”, zegt ze lusteloos. Eenmaal in de tuin pakken we onze boeken erbij, maar kan ik me niet concentreren, omdat mijn zus de ene na de andere zucht slaakt.

„Is het een slecht boek?” vraag ik ten slotte om van al die plosieven af te zijn.

„Ja, nee, het…” Mijn zus rolt met haar ogen en klapt de roman dicht. „Ik voel me de laatste jaren altijd zo opgefokt als ik vrij heb en de zon schijnt! Alsof je dan opeens móét genieten. Zo irritant.”

Haar mobiel trilt. Haar jongens, die een dag met hun vaders in Zandvoort doorbrengen, hebben een filmpje gestuurd waarop ze aan het frisbeeën zijn. Ze zijn echter zo uitgelaten door het mooie weer dat ze het ding de helft van de tijd niet eens opvangen, zo high van de serotonine stuiteren ze over het strand.

‘Waarom lukt mij dat niet meer”, moppert mijn zus. „Als kind werd ik zo gelukkig van de zon. Toen leken die zomerdagen eindeloos te duren.”

„Misschien”, zeg ik, „is dat hem juist. Als kind kreeg je altijd het gevoel dat het echte leven pas begon als je volwassen was. Die eerste achttien jaar maakte het, zolang je je best deed op school en niet al te veel Halt-taakstraffen opliep, eigenlijk weinig uit wat je uitspookte. Dat haalde de druk ervan af. En gaf je het gevoel dat de zomer eeuwig duurde.”

„Ja,” zegt ze, „dat is het allerkutste van ouder worden: de tijd is niet meer oneindig. En je weet dat dat nooit meer verandert.”

We lezen verder, de ademhaling van mijn zus wordt langzaamaan gelijkmatig. Ik kan echter niet meer stoppen met piekeren. Het probleem is niet alleen dat de tijd eindig wordt, denk ik, maar ook dat alles, als je volwassen bent, zo voorspelbaar wordt. Als kind is er iedere dag wel iets nieuws, maar de laatste jaren beginnen alle zomers op elkaar te lijken. Je ziet het allemaal wel aankomen, zelfs ergernis om het mooie weer. Om iedere hoek wachten je steeds minder verrassingen. Sterker nog: het aantal hoeken neemt ook af, tot je wereld zo egaal is dat je er een pesthumeur aan overhoudt.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.