Wel huilen

Lessen van mijn moeder Deze week vertellen auteurs wat zij van hun moeder leerden. Vandaag: filosoof Coen Simon. „Ik heb lang gedacht dat mijn moeder toevallig veel had meegemaakt.”

Veel van wat mijn moeder mij heeft geleerd, leerde ik aan tafel. Om te beginnen tafelmanieren. Al mochten we wel met onze handen een balletje van rijst draaien. Want Indische afkomst is ook beschaving.

Aan diezelfde tafel bracht mijn moeder me tijdens het eten de liefde voor verhalen bij. Ze vertelt heel vaak dezelfde verhalen, maar het zijn er zóveel en ze vertelt zo goed dat ze me nooit hebben verveeld. Ik heb lang gedacht dat zij toevallig heel veel had meegemaakt, totdat ik snapte dat het vooral aan haar vertelkunst lag.

Vloeken is ook een vorm van eloquentie, het juiste woord op het juiste moment

Zoals bij iedere opvoeding glipten er ook bij mijn moeder slechte gewoontes tussendoor: vloeken en roken nam ik van haar over. Dat laatste heb ik haar nooit zien doen, maar ze heeft er altijd zo beeldend over verteld dat ik het ook wilde. Ze vertelde bijvoorbeeld hoe haar moeder, voordat ze de rijst opzette, zonder te kijken het pakje Benson & Hedges van de richel boven het fornuis greep, er een sigaret uittikte en deze aanstak in het vlammetje van de geiser. Wat dat vloeken betreft, dat klinkt erger dan het is. De vloek is voor mijn moeder, die Nederlands doceerde, ook gewoon een vorm van eloquentie, het juiste woord op het juiste moment.

Volgens de filosoof Jacques Ranciere leert de leerling „iets van de meester wat de meester zelf niet weet”. Dat geldt beslist voor mijn filosofische ontwikkeling. Toen ik allang uit huis was liet ik mijn moeder, die voor filosofie eigenlijk te weinig geduld heeft, mijn papers becommentariëren. We zaten weer aan diezelfde tafel als ze met haar Parker-ballpoint in de kantlijn bleef staan: „Je bedoelt hier misschien iets heel filosofisch Coen, maar het staat er niet. Dit is geen Nederlands.” Zo scherpte mijn moeder mijn redeneringen zonder dat ze deze kon volgen.

Behalve af en toe een slechte gewoonte geven we onbewust ook kennis door aan onze kinderen die voor ons waardevol was, maar voor hen niet. Zo heeft mijn oma mijn moeder voorgeleefd niet te lang stil te staan bij treurigmakende gevoelens. ‘Jangan nangis!’ was haar credo, niet huilen. Dat klinkt hard maar oma heeft mijn moeder en haar tweelingzus liefdevol door de kampjaren geloodst.

De neiging om het kwaad te negeren door vooral oog te hebben voor het goede nam ik van mijn moeder over. Maar toen ik na mijn scheiding merkte ik dat ik met mijn hoopgevende perspectieven het verdriet van mijn kinderen aan het verdringen was, wist ik dat het anders moest.

Laatst vertelde mijn moeder aan tafel een nieuw verhaal. Oma was in het jappenkamp bijna aan malaria gestorven. De dokter had haar al opgeven en een tante die ook in het kamp zat kreeg de voogdij over de tweeling. Net nadat de verpleging het kamphospitaal had verlaten kwam oma bij. Klam van het zweet besloot ze te gaan baden. De vermeende dood van mijn oma was als een lopend vuurtje door het kamp gegaan. In haar lijkbleke gestalte in sarong onderweg naar het badhok zag men een geest. Ik lachte, en dacht: huil maar mamma.