Technologie hoeft geen bedreiging te zijn

Arbeidsmarkt

Werk dat ook door een computer kan worden gedaan, verdwijnt. Maar bedrijven, politici én werknemers kunnen daar wel degelijk iets aan doen, zegt arbeidssocioloog Fabian Dekker.

Illustratie Studio NRC

Na het onderzoeksrapport De val van de middenklasse?, begin deze maand uitgebracht door de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, is er alweer een nieuw boek over hetzelfde onderwerp gepubliceerd: Het Midden Weg?

De problemen van middelbaar opgeleiden op de arbeidsmarkt zijn duidelijk actueel. Werk dat ook door een computer kan worden gedaan, verdwijnt. En dat gaat ten koste van een grote groep werknemers: de secretaresses, bijvoorbeeld, en de administratieve banen bij verzekeraars en banken. Maar – zie de vraagtekens in de titels van beide publicaties – het verval is nog niet onafwendbaar. Dat is ook de belangrijkste boodschap van het nieuwste werk: technologie, de bron van het kwaad, is géén natuurkracht. Het is een keuze.

We zijn zo’n 30 procent van de beroepsbevolking „langzaam aan het kwijtraken”, zegt arbeidssocioloog Fabian Dekker, auteur van het boek. Door digitalisering, maar ook door steeds meer flexibele arbeidscontracten en door een terugtrekkende overheid. Ja, de werkloosheidscijfers dalen – afgelopen mei was nog 6,1 procent werkloos, in 2014, het dieptepunt, was dat 9 procent – maar dat betekent niets gunstigs voor deze middengroep. Die belanden, zegt Dekker, in tijdelijke, onzekere banen en gaan achteruit in inkomen. En verdringen de lageropgeleiden.

Ondertussen kunnen bedrijven door het groeiende aantal hoogopgeleiden en door de technologische ontwikkelingen almaar hogere eisen stellen aan hun werknemers. Hoe slimmer je bent, aldus Dekker, „hoe beter je meekomt met de machines”. Het gevolg van dit alles: de kloof op de Nederlandse arbeidsmarkt groeit.

De onderzoeken die Dekker en zijn collega’s van de Erasmus Universiteit Rotterdam deden, nuanceren het doemdenken over de invloed van technologie en globalisering op de arbeidsmarkt. Bedrijven, politici én werknemers hebben namelijk wel degelijk een keuze. Dekker: „Het is niet: het gebeurt nu eenmaal en we moeten er maar mee omgaan.”

Wat moet er gebeuren om te voorkomen dat het middensegment van de arbeidsmarkt bezwijkt onder nieuwe technologische ontwikkelingen? Wie dicht de groeiende kloof?

Op de eerste plaats, zegt Dekker, is de toenemende ongelijkheid een opgave voor de werkgevers. „Bedrijven imiteren elkaar. Je moet concurrerend blijven, dus als de concurrent nieuwe technologie gebruikt of werk flexibiliseert, dan doen zij dat ook.” Terwijl: technologie kun je kopiëren, maar het zijn de mensen die een bedrijf onderscheidend maken.

Dekker: „Uit onderzoek blijkt dat 77 procent van de concurrentiekracht van een bedrijf wordt bepaald door sociale innovatie; door het werving- en selectiebeleid en door het scholingsbeleid. Werkgevers kunnen daarom beter inzetten op de ontwikkeling van hun personeel.” Nu gebeurt dat nog maar weinig, ook doordat er tijdens de crisis vaak geen geld voor was.

Hij noemt Philips als voorbeeld van een bedrijf dat wél investeert in werknemers wier baan door technologie in het nauw komt. ‘Leerambassadeurs’ helpen daar hun, meestal lager en middelbaar opgeleide, collega’s bij het zoeken naar een passende cursus of opleiding.

Basisbanen en les in ondernemerschap

Ook de overheid moet meer doen voor de middenklasse, vindt Dekker. Het aanstaande kabinet zou bijvoorbeeld meer nadruk kunnen leggen op onderwijs in ondernemerschap. „Want in de toekomst moet je steeds meer zelf je werk creëren.” Al op de basisschool kunnen kinderen vaardigheden leren die „automatiseringsproof” zijn. Zoals creativiteit, empathie en sociaal vermogen.

Verder pleit Dekker voor persoonlijke scholingsbudgetten en een beter vangnet voor mensen die niet bijgeschoold kunnen worden en moeilijk aan het werk komen. Liefst in de vorm van door de overheid gefinancierde ‘basisbanen’. „Denk aan de conciërge op school, of trambestuurder.” Zo valt er niemand door de ondergrens, en blijven mensen participeren.

Andere opdracht voor het nieuwe kabinet is het aanpassen van de huidige wetgeving, zegt hij. Want die heeft er, samen met de technologische ontwikkelingen, toe geleid dat er nergens in Europa zo veel flexibele banen zijn als in Nederland. „Zo zou de risicoverantwoordelijkheid van bedrijven bij ziekte van werknemers teruggeschroefd moeten worden.” Nu moeten bedrijven verplicht twee jaar loon doorbetalen, en dat maakt flexibele contracten aantrekkelijker.

Overigens hóéven flexibele banen geen probleem te zijn, het gaat om de manier waarop ze worden ingevuld. Dekker: „Het is pas een probleem als er – zoals nu meestal het geval is – niet wordt geïnvesteerd in de scholing van de werknemers, als zij geen kans krijgen op verlenging. Als bedrijven concurreren op loonkosten waardoor flexibele werknemers minder verdienen.”

Tot slot moeten de werknemers ook het heft in eigen hand nemen. Te beginnen bij de jongeren die nu gaan studeren. „Denk niet: ik doe een economische administratieve opleiding want daarmee kan ik geld verdienen. En er zijn ook al veel te veel game- en webdevelopers. Kies voor een beroep dat niet makkelijk door een computer kan worden gedaan. Kijk waar wél ruimte zit, waar de vergrijzing een probleem is of waar weer mensen nodig zijn nu de conjunctuur aantrekt. De maakindustrie, bijvoorbeeld, of een ambachtsberoep.”

Voor de dertigers en veertigers van nu geldt: niet afwachten. Voorkom zélf dat je wordt weggeautomatiseerd. „Zeg tegen je leidinggevende dat je wilt meedenken over een persoonlijk ontwikkelingsplan. Over hoe je je functie opnieuw kunt vormgeven zodat die wel blijft bestaan. En dan niet in een klassiek beoordelingsgesprek, maar écht aankaarten.”