Recensie

Ontwerpen voor ontheemden

Vluchtelingenkunst

Veel tentoonstellingen deze zomer – de Documenta, de Biënnale in Venetië – bespiegelen vanaf de zijlijn de vluchtelingenproblematiek. Designers pakken de problemen praktischer aan, zo is nu te zien in het Stedelijk Museum.

Paper Partition System, 2011. Stedelijk Museum Shigeru Ban

Kijk, daar. De beheerder van Lola Lik wijst naar de designlamp, achter de gesloten pui van de Refugee Company, een werkervaringsplaats voor vluchtelingen. Daar wordt deze Green light gemaakt, die ook in de tentoonstelling boven ligt. Het is de previewdag van de expositie Oplossing of Utopie?, over ontwerpen voor vluchtelingen. Deze is deels in het Stedelijk Museum te zien en deels bij Lola Lik: een culturele broedplaats bij azc-locatie de Bijlmerbajes.

Samen tonen de exposities behuizingen (strobalen in frames, textiel met bamboe, uitklapbare tenten die je uit een helikopter laat vallen), apps (met informatie over visa, grenzen, medische zorg onderweg) en ontwerptekeningen hoe je op de vlucht een tas maakt van rubberbootjes. En dus deze luxueuze houten lamp met groen licht, naar ontwerp van Einar Thorsteinn.

De lamp ken ik. Hij staat deze zomer centraal op de Biënnale van Venetië. Daar richtte kunstenaar Olafur Eliasson een werkplaats in waar vluchtelingen deze Green lights in elkaar zetten. Ze zijn te koop voor 250 euro waarmee je ngo’s steunt die samenwerken met vluchtelingen. Mooi idee, maar het is ook ongemakkelijk om recreatief te staan kijken naar vluchtelingen die aan het werk zijn.

Het was niet de enige (onbedoeld) ongemakkelijke situatie op de Biënnale tijdens de openingsweek. Het publiek mocht meedansen met traditioneel gekleed Huni Kuin-volk in een dansperformance van Ernesto Neto, wat postkoloniaal een pijnlijke exotische blik opleverde. Andere bezoekers droegen tasjes van de Australische kunstenaar Tracey Moffatt met daarop in koeienletters de woorden ‘indigenous rights’ en ‘refugee rights’ – meer als fashion statement dan als politieke aanklacht.

Omheind reservaat

Goede bedoelingen (bewustwording), geen slechte kunst, maar het probleem is de omgeving. Een kunstbiënnale is (net als een museum) een omheind reservaat waarbinnen de kunst enkel de kunst dient. Kunst moet er autonoom zijn, zichzelf dienen, los staan van andermans agenda’s. Ook maatschappelijke kwesties dienen er de kunst, als thema, zelfs al willen kunstenaars zoals Eliasson dat het andersom is: dat kunst maatschappelijke kwesties dient. Maar om dat te bewerkstelligen, moet dat idee van de autonomie om.

Als we participatie en maatschappelijk engagement serieus willen nemen, moeten we die solistische aanpak herzien. Vooral sinds de Tweede Wereldoorlog geldt artistieke expressie van de kunstenaar als doel, wat toen een anti-fascistisch statement was. Het ging om het vieren van vrijheid, het vrije individu. Dat idee hebben we decennia volgehouden, maar het heeft beperkingen. Kunst kan en wil allianties aangaan met de wereld daarbuiten. Zoals in participatiekunst, maar die misstaat op een omhekte biënnale. Kunst die over de maatschappij wil gaan, moet dieper de maatschappij in.

Zoals de Green light, die deze zomer dus ook door vluchtelingen wordt geproduceerd in Lola Lik. Zo druk als het was op de Biënnale in mei, zo rustig was het in Lola Lik op de dag van de perspreview van Oplossing of Utopie? (ik was de enige).

Grote contrasten dus, in aandacht en aanpak, in wat het jaar van de vluchtelingenkunst lijkt te zijn. Het SMAK in Gent organiseert een zomerprogramma met en door vluchtelingen, de Documenta gaat over migratie en ontheemd zijn. Participatiekunstwerken bij de Documenta vind je in Kassel in museale hoeken of afgesloten winkelvitrines, zonder dat je daar als bezoeker nou veel leven in ziet.

Tent Jacket. Stedelijk Museum
Foto Angela Luna
Tent Jacket. Stedelijk Museum
Foto Angela Luna

Maar kunst en design verschillen dan ook. Veel beeldende kunst bespiegelt vanaf de zijlijn de situatie in de wereld, in design buitelen bij vluchtelingenproblematiek potentiële oplossingen over elkaar. Die zie je in Lola Lik net zoals eerder op de Dutch Design Week en de designtentoonstellingen Migration Matters in Museum Boijmans: een tent annex jas, een hangmat annex draagdoek, mobieltjes met zonnepanelen.

Al die slimheid maakt Oplossing of Utopie? hoopgevend, al geeft de titel al aan dat de praktijk anders kan uitwijzen (een eiland bouwen in de Middellandse Zee?). De toon van deze ontwerpen is optimistisch, doelgericht, zonder de spagaat van geëngageerde beeldende kunst die meer bezig is met bewustwording waarvan niet duidelijk is hoe of voor wie. Vergelijk de Green light eens met praktische ontwerpen in het Stedelijk: een zaklamp met zonnecel die onderweg oplaadt, een wc die urine omzet in elektriciteit die de toiletblokken verlicht – ’s nachts de veiligheid in vluchtelingenkampen verhogend.

Het nut van een fraaie designlamp ligt ingewikkelder. Design heeft nut, kunst heeft zin. Ook belangrijk. Maar nu lijkt die nutteloosheid kunst pervers te kunnen maken. De foto van Ai Weiwei als bootvluchteling oogstte kritiek, tegelijk gaat hij naar Griekse eilanden om een verschil te maken. Vergeven we hem dan de foto? Zelf van aboriginalkomaf zet Tracey Moffatt zich in voor zichtbaarheid van onrecht dat onder meer Aboriginals is aangedaan – maakt dat de tasjes oké?

Op die vragen zal iedereen een ander antwoord hebben. Overigens is die tweedeling tussen design en kunst, nut en zin, allesbehalve scherp. Ook design doet aan zichtbaarheid en beeldvorming: op Lola Lik wappert een triomfantelijke oranje vluchtelingenvlag, er ligt een luxe fotoglossy over vluchtverhalen. Intussen behoudt een biënnale het ongemak van vermeend engagement. Immers, engagement betekent dat je je ergens mee verbindt: dat je onrecht niet alleen erg vindt maar er ook wat aan doet.

Vrijwilligerswerk

Die kunst bestaat. David Bade bouwde een opleidingsinstituut op Curaçao, Jonas Staal bouwt een parlement voor de statenlozen, Gil en Moti doen vrijwilligerswerk op de Westelijke Jordaanoever, Jeanne van Heeswijk is al jaren actief in Rotterdamse achterstandswijken. Maar daar komen de kunstwereld en de pers niet gauw. Dus moeten kunstenaars ook die schijnwerpers – biënnales, Documenta’s, tentoonstellingen – opzoeken. Dat maakt zichtbaar. Dat betekent dus tasjes. Of een werkplaats waar bezoekers vluchtelingen aan het werk zien.

Wat ik wil zeggen: de spannendste artistieke ontwikkelingen lijken niet langer centraal plaats te vinden. Zoek ze niet in biënnales, maar in de periferie van de kunst. Melle Smets bouwde een auto in Ghana waar hij nu de eerste Afrikaanse auto-industrie opzet. Deirdre Donoghue doet met wetenschappers pionierend onderzoek naar moederschap, iets wat alle heren wetenschappers altijd hebben nagelaten. Martha Atienza onderzoekt vanuit de kunst economische modellen voor een Filippijnse vissersgemeenschap. Dat zoiets kan slagen weten Jaap Verheul en Kamiel Verschuren, die met alternatieve monetaire modellen in Rotterdam Charlois kunstruimtes en interventies organiseerden wat honderd kunstenaars onderdak opleverde – een Art Village.

Heel pijnlijk vond ik een bijeenkomst van het Brabants Kenniscentrum Kunst en Cultuur (BKKC) over toekomststrategieën voor bibliotheken. Ontwerper Florian de Visser presenteerde toverachtige voorstellen naar Orhan Pamuks Museum of Innocence, waar je je in een verhaal waant. Kunstenaar Eva Olthof bestudeerde Amerikaanse bibliotheken, doordringend tot wat een kennisinstituut voor de massa is.

Ze waren tien keer beter dan het adviesbureau dat na de pauze vooral opmerkte dat die saaie bibliotheken horeca moeten beginnen of moeten lijken op De Wereld Draait Door – droevige ideeënarmoede, toch worden zulke adviseurs serieus genomen.

Zo belangrijk kunnen kunsten zijn. Opererend in een stad, wijk, opdracht kunnen kunstenaars artistieke ideeën de wereld in brengen. „Toegepaste autonomie”, zei Kamiel Verschuren eens. Dat is geen knieval, geen opoffering van de autonomie, het is een autonoom verlangen om niet autonoom te zijn, om een handreiking te doen naar de buitenwereld, naar andere terreinen die grenzen aan de kunst, lokaal, in de periferie.

Daarin schieten biënnales of Documenta’s tekort. Die gedijen bij de gratie van het centrum, sterker nog, ze zíjn het centrum. In de periferie zijn de spannendste ontwikkelingen te vinden. Dat weten sommige economen al langer. Het wordt tijd dat de kunstwereld dat ook ziet.