De zomer van 1964

gaat deze zomer naar het strand. Afl.1

Ronny zei niet veel toen ik met hem naar school liep. Ronny zei nooit veel, maar zei nu nog veel minder dan dat. Eigenlijk zei Ronny helemaal niks. En ik wist het even ook niet, eerlijk gezegd. We waren zeven, hooguit acht, en het was de ochtend van Sinterklaas. Net voor het ontbijt had ik een kasteel gekregen met tal van soldaten om veldslagen mee te voeren, waar geen Verenigde Naties ooit aan te pas zouden komen. Logisch dus dat ik even later bijzonder welgemutst naar school stapte en tevens besloot om mijn maat Ronny thuis nog even op te pikken, want ik was razend benieuwd te vernemen wat de Sint bij hem had afgeleverd.

Het was zijn moeder die open deed. Een voor die tijd angstaanjagend dikke vrouw, met een BMI dat moeiteloos hoger scoorde dan haar IQ. Of Ronny nog thuis was? En wat heeft hij van de goedheilig man gekregen? Ze liet me binnen en terwijl we naar de keuken liepen, zei ze droog: een martenee! (ja, het was voor het eerst dat ik dat woord hoorde) Een martenee, herhaalde ze, want Ronny is dit jaar niet braaf geweest. De deur ging open. In de ene hoek stond stoute Ronny en in de andere hoek de martenee. Een houten handvat van dertig centimeter met bovenaan een tiental lederen riemen.

„Wie braaf is krijgt lekkers, wie stout is de roe!”, zong ze even. De melodie indachtig stapten Ronny en ik stilzwijgend naar school. Het was de winter van 1963, het jaar waarin wekenlang de zee bevroor, dus we mochten wel opschieten.

Gelukkig kwam daarna de zomer. Een zomer waarin Ronny mij op een dag meevroeg naar het strand. We woonden in Nieuwpoort, dus dat was niet ver lopen. Maar omdat ook zijn moeder meeging, zouden we de kusttram nemen die ons met een rotvaart van Nieuwpoort-Stad naar Nieuwpoort-Bad bracht. Terwijl zijn moeder over de mand met proviand waakte, dienden Ronny en ik het meegebrachte windscherm op te stellen. Een heus karwei, dat mede door de krachtige zuidwesterwind, heel wat kindervoeten in de aarde had. Eens de klus geklaard, kregen we groen licht om eindelijk te gaan zwemmen. Thuis had ik alvast mijn zwembroek onder mijn broek aangetrokken om zo snel mogelijk in het water te kunnen. Alleen was de zee veel te groot, te grijs en te koud voor ons. Het leek wel smeltwater van de winter van 1963, wat het in feite ook was. Daarenboven konden we amper zwemmen, dus stonden we drie minuten later terug bij het windscherm, rillend, lippen blauw van de kou.

Gelukkig had de moeder van Ronny de nodige proviand bij zich, want ik kon dringend calorieën gebruiken. Eerst kreeg Ronny twee boterhammen met appelstroop en daarna nam ze er zelf één. Voor mij was blijkbaar niks voorzien. Tegen zoveel onrecht was ik niet opgewassen. Met mijn dertig kilo besprong ik de kauwende vleesberg, sleurde de brooddoos uit haar handen en rende het strand op. Ronny bleef aan de grond genageld zitten en zijn morbide obese moeder schreeuwde iets dat op mijn naam leek. Dit gaf mij vleugels. Rennend werkte ik twee boterhammen met appelstroop en twee met confituur, aalscholvergewijs naar binnen. Uiteraard keerde ik niet terug. Noodgedwongen liep ik in zwembroek van Nieuwpoort-Bad naar Nieuwpoort-Stad. Nee, ik had geen honger meer toen ik thuis kwam.