Recensie

De radicale kunst van een ambassadeursvrouw

Tentoonstelling Het leven van de Turkse kunstenaar Fahrelnissa Zeid (1901-1991) was een soap: ze huwde een Jordaanse prins, dronk thee met Hitler en overleefde een staatsgreep. Dat ze ook weergaloze abstracte werken maakte, is nu te zien in Tate Modern in Londen.

Fahrelnissa Zeid, Triton Octopus, 1953. Olieverf op doek, 181 x 270 cm. Foto Raad Zeid Al-Hussein, Istanbul Museum of Modern Art

Het leven van de kosmopolitische kunstenaar Fahrelnissa Zeid bevat alle elementen voor een geweldige film – alleen is de vraag hoe haar schilderijen daarin passen. Ga maar na. Zeid wordt in 1901 geboren als de dochter van een aristocratische, rijke, cultureel onderlegde Ottomaanse familie in Istanbul – haar oom Cevat was ooit grootvizier van de sultan. Tot haar twaalfde groeit Fahrelnissa op in rust en welvaart. Tot haar broer, haar lievelingsbroer, de broer met artistieke aspiraties, haar vader onder verdachte omstandigheden neerschiet. Plotseling is alles anders.

Op haar achttiende volgt ze haar eerste lessen aan een strikt vrouwelijke kunstacademie, een jaar later trouwt ze met Devrim, directeur bij een grote tabaksfabriek. Vier jaar later wordt de Turkse republiek uitgeroepen, onder leiding van Mustafa Kemal. Fahrelnissa en haar man gaan steeds meer reizen en daarbij maakt ze kennis met westerse kunst, het kubisme, abstractie, wat doorslaggevend zal blijken voor haar artistieke carrière.

In 1934 leert ze de Jordaanse prins Zeid Al-Hussein kennen (hij logeert in het hotel naast haar woning in Istanbul), nog datzelfde jaar scheidt ze van Devrim en trouwt ze de prins. Die wordt het jaar daarop aangesteld als Iraakse ambassadeur in Duitsland; ze verhuizen naar Berlijn, waar Fahrelnissa het leven van een ambassadeursvrouw leidt.

Ze onderhoudt zich met de nazi-kringen, geeft soirees en ontvangsten en heeft een privé-ontmoeting met Adolf Hitler, met wie ze thee drinkt en over schilderkunst praat. Ze is dan 34.

Nog is het niet afgelopen: ze krijgt last van depressies en reist door Europa om verlichting te zoeken. Haar zoon Nejat besluit ook kunstenaar te worden wat – mede doordat Fahrelnissa als schilder nog weinig erkenning krijgt – leidt tot stevige familiediscussies. Ze doet een zelfmoordpoging, herstelt, en volgt haar man naar Londen als hij daar tot ambassadeur wordt benoemd. Langzaam begint Fahrelnissa erin te slagen haar ‘carrière’ als ambassadeursvrouw te combineren met het kunstenaarschap: ze neemt simpelweg een atelier in Parijs en reist daar regelmatig naar toe om in alle rust te werken.

In 1958 vindt het op één na laatste grote drama in haar leven plaats. Die zomer wil Fahrelnissa’s man terug naar Irak om de koning te vervangen tijdens diens vakantie, zoals hij elk jaar doet. Fahrelnissa vindt dat hij te hard werkt en haalt hem over op hun vakantie-eiland te blijven – vlak daarna vindt er in Irak een staatsgreep plaats waarbij de complete Iraakse koninklijke familie wordt vermoord. Prins Zeid, Fahrelnissa en hun zoon zijn de enige overlevenden en het gezin wordt gedwongen ‘hun’ ambassade in Londen binnen 24 uur te verlaten. Geen biografie laat na te vermelden dat ze die zomer, op haar 57ste, voor het eerst zelf een maaltijd kookt.

Ondertussen schildert Fahrelnissa Zeid maar door. Eerst figuratief, dan abstract, dan weer figuratief, doeken van soms wel tien vierkante meter. Met haar levensverhaal in je achterhoofd denk je toch, onwillekeurig: elitair tijdverdrijf, ambassadeursvrouwenkunst, kleurtje, bloemetje, landschapje. Identiteitskunst voor een aangetrouwde prinses.

Niet dus.

Een grote afrekening

Want dát maakt de grote solotentoonstelling die Tate Modern wijdt aan Fahrelnissa Zeid zo bijzonder: het is een grote afrekening met vooroordelen, zo radicaal als je maar zelden ziet in musea van Tate-statuur. Niets is hier wat je verwacht – en zelfs dat niet, wat ongetwijfeld de reden is dat veel toeschouwers, critici, beschouwers behoorlijk in de war raken van deze expositie.

Dat begint al met Fahrelnissa zelf: een flamboyante islamitische vrouw die zich in de eerste helft van de twintigste eeuw wil meten met de moderne kunst van haar tijd is al tamelijk ongehoord. En dan is ze dus ook nog rijk en aristocratisch, wat krachtig botst met het ouderwetse romantische westerse kunstenaars-ideaal – dacht u ook al even aan prinses Beatrix?

Fahrelnissa Zeid, Resolved Problems, 1948.

Foto Raad Zeid Al-Hussein, Istanbul Museum of Modern Art

En dan is er haar artistieke ontwikkeling. Fahrelnissa’s vroege werk is vaardig, soms behoorlijk goed, maar nog weinig eigen: figuratief met licht abstracte trekjes, denk een beetje Gauguin, denk veel Chagall, denk ook Turkse miniaturen en andere oosterse invloeden – mooie, kleurrijke, een tikje behaagzieke werken.

Maar als ze zich na de Tweede Wereldoorlog meer vrijheid weet toe te eigenen, als haar kunstenaar-zoon langzaam bekender wordt en ze steeds vaker in hippe kringen in Parijs verkeert, maakt haar werk een forse inhoudelijke sprong.

Zelf vertelde ze graag dat de aanleiding daarvoor was dat ze op een onbewolkte dag vanuit een vliegtuig naar de aarde keek en besefte hoe gefragmenteerd en tegelijk verbonden de wereld is – dat wilde ze schilderen. En zowaar: vanaf 1948 maakt ze een reeks weergaloze abstracte doeken, waarin je zeker de invloed van de Ecole de Paris en Roger Bissière kunt onderscheiden en traditionele Ottomaanse kunst en glas-in-lood, maar die vooral volstrekt krachtig en eigen zijn.

Hier overweldigen alle invloeden die ze tijdens haar leven heeft opgedaan haar niet langer, maar zet ze ze superieur en krachtig naar haar hand. De twee Tate-zalen met dit abstracte werk zijn prachtig, een vreugdevuur van zindering en kleur en spanning. Er zit zelfs een echt, onvervalst meesterwerk tussen: een enorm abstract schilderij met hoekige scherpe vlakken, louter ingekleurd met zwart en wit en de kleuren geel en rood, ongemakkelijk en wringend. Titel: Mijn hel.

Pijnlijke dubbelzinnigheid

Mijn hel – dat is ook natuurlijk de titel van die film die ooit over Fahrelnissa gemaakt gaat worden. Juist door z’n pijnlijke dubbelzinnigheid. ‘Mijn hel’ suggereert namelijk een kunstenaar die door de buitenwereld wordt gestuurd, gekweld en gepijnigd en daar bijna aan ten onder gaat – wat je je gezien haar turbulente, versnipperde leven ook heel goed kunt voorstellen. Maar het doek zelf spreekt die onzekerheid en kwelling wel héél krachtig tegen: Mijn hel is juist hét toonbeeld van beheersing en overzicht, gemaakt door een vrouw die volkomen in staat was de wereld naar haar hand te zetten. Zo lang het duurde.

Want na 1958 glijdt, ongetwijfeld mede door haar veranderde leven, de kracht uit haar werk: eerst gaat ze vegerige, matige abstracte doeken maken, daarna gaat ze over op portretten. Die zijn op zijn zachtst gezegd controversieel: haar modellen hebben sterk gestileerde trekken en enorme ogen, waardoor westerse beschouwers ze gemakkelijk afdoen als kitsch.

Ze was zich bewust van de botsingen tussen man en vrouw, Oost en West, rijk en arm

Aan de andere kant hoef je maar even aan vroege Ottomaanse mozaïeken te denken om te beseffen dat Fahrelnissa bij deze werken, aan het einde van haar leven, simpelweg wat zwaarder op haar oosterse wortels is gaan leunen. En dat juist dat voortdurende heen en weer schieten tussen culturen, dat prachtige zoekende kosmopolitisme, deze tentoonstelling zo bijzonder en actueel maakt.

We zien een vrouw die zich, tegen de stroom in, heel goed bewust was van de botsingen tussen man en vrouw, Oost en West, rijk en arm – maar die juist uit die tegenstellingen kracht putte om een heel eigen, onnavolgbare wereld te scheppen.

De manier waarop ze dat heeft gedaan is zo ongewoon, dat zijn we zo weinig gewend, dat je op deze tentoonstelling af en toe behoorlijk moet slikken – om dan te beseffen dat Zeids werk én haar carrière een perfecte reflectie bieden op de tijd waarin we nu leven. Laat die film dus maar komen – maar ga eerst naar deze tentoonstelling.