Commentaar

Zorg over integriteit bij lokale overheid niet overdrijven

In het NRC-overzicht vorige week van de 66 integriteitskwesties bij de provincies in de periode 2012-2016, wordt duidelijk dat er sprake is van groei, zij het bescheiden. Van 8 onderzoeken in 2012 naar 19 in 2016. Kennelijk is er wel meer aanleiding voor het laten beoordelen van handelen van ambtenaren of bestuurders. Maar de stormbal hoeft niet te worden gehesen – bestuurlijk wangedrag blijft nog te overzien en beheersbaar.

Het overzicht laat ook zien dat de keuze voor een intern of een extern onderzoek van groot gewicht is. Het ligt inderdaad voor de hand extern onderzoek te reserveren voor politieke bestuurders, om de schijn van partijdigheid te vermijden. Terwijl bij verdenkingen binnen de gewone ambtelijke hiërarchie afhandeling binnen het apparaat voor de hand ligt, zolang de kwestie tenminste wat omvang betreft te overzien is en de verplichte aangifte bij strafbaar handelen niet wordt vergeten. Dat de noordelijke provincies bij voorkeur met vrijwel alles naar externe onderzoekers gaan, geeft dan te denken. Van de 66 kwesties werden er twintig via een extern bureau afgehandeld, á raison van bijna 1 miljoen euro aan kosten, in totaal. Vier onderzoeken kosten meer dan een ton. Het lijkt tamelijk overdreven om bij kwesties van kleine fraude of diefstal zulke bedragen uit te geven.

In tweederde van de onderzoeken werd echter wel een schending vastgesteld. Wat automatisch ook betekent dat in een derde van de onderzoeken iemands reputatie ten onrechte ter discussie is gesteld. Door tipgevers, collega’s, leidinggevenden, volksvertegenwoordigers, burgers, media of, zo bleek, door gebrekkig (extern) onderzoek. Ook als er niks aan de hand is kennen integriteitsonderzoeken een hoog afbreukrisico voor degenen die het betreft.

Dergelijke onderzoeken mogen niet lichtvaardig worden ingesteld. Ze moeten duidelijke beoordelingskaders bevatten, in omvang helder zijn ingeperkt, zich baseren op feiten en niet op aannames en steeds de reputatieschade die eruit kan voortvloeien voor ogen houden. Binnen iedere organisatie wordt immers gekletst – en nieuws over de ‘integriteit van collega X of Y’ is moeilijk vertrouwelijk te houden.

Daarbij speelt een rol dat ‘integriteit’ een containerbegrip is. En de motieven om iemand ‘aan te geven’ zeer divers kunnen zijn – politiek of persoonlijk geïnspireerd. Een dosis wantrouwen, een snufje hekel, een onsje eigenbelang en een verdenking is zo uitgesproken.

Bestuurskundigen wijzen daarnaast op het ontbreken van een duidelijke ‘moresprudentie’ – ofwel een helder overzicht van waar we het nu eigenlijk over hebben. Wat er wanneer en door wie bijvoorbeeld gedeclareerd mag worden; wie welke belangen tegelijkertijd mag hebben, althans op welke afstand binnen de eigen kring van kennissen of familie – zo duidelijk is het allemaal niet. Als slecht voorbeeld geldt hier de ongrijpbare ‘bonnetjesaffaire’ die ooit een eind maakte aan het Rotterdamse burgemeesterschap van Bram Peper.

In het recht bestaat openbare jurisprudentie over het interpreteren van rechtsregels – dat geldt niet voor integriteitsonderzoek. In de praktijk is ook gebleken dat dergelijke onderzoeken naar de integriteit van een overheidsdienaar soms unfair zijn – diens gedrag blijkt onderdeel van een gegroeide afdelingscultuur. Dan is met een individuele sanctie het probleem niet opgelost, maar alleen uit zicht geduwd. Voetangels en klemmen dus – als er iets integer moet gebeuren dan wel het integriteitsonderzoek zelf.

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.