Lieve mama,

Lessen van mijn moeder Deze week vertellen auteurs wat zij van hun moeder leerden. Vandaag: socioloog en schrijver , die een boek schreef over zijn invalide moeder. „U gaf licht, maar bleef zelf in duisternis.”

Zoals u daar in die rolstoel zit, spraak- en bewegingsloos, een glimlach om uw mond, helemaal in uw sas, weet ik dat u de laatste bent van een soort. Een schepsel uit een vroeger tijdperk. Een coelacant. Een wolharige mammoet. De laatste mens die Eyak spreekt.

Het lot (in uw begrip: God) heeft zwaar over u gevonnist maar in plaats van minder bent u méér van Hem gaan houden. Het enige wat u nog kan en wil, is bidden. U brengt uw linkerhand (rechts is verlamd) naar uw hart en brabbelt onverstaanbare woordjes. Uw totale vocabulaire, duizenden en duizenden woorden, is door het infarct compleet verwoest, op één na: Allah. En dat ene woordje prevelt u de godganse dag: AllahAllahAllah…

Uw oneindige opgewektheid en goedheid. Ik kan alleen maar hopen dat iets daarvan in mij is geplant.

Vanaf het eerste ochtendlicht was u gebogen over de aarde. U wroette in de aarde, kuste de aarde, en was dankbaar voor het schamele wat de aarde u schonk. Eerst in Marokko, toen in Algerije, ten slotte in Nederland, Zwijndrecht. Het is deze aarde waaruit u kwam en die zich straks opent en u in zich laat zakken.

Telkens als ik naast u zit, en uw dode hand vastpak, de hand die mij zo vaak liefkoosde, voedde, waste, de hand die mij als baby redde van een slangenbeet, besef ik weer hoe wij allen over de rand zijn getuimeld in de heksenketel van het snelle leven van geld en genot.

U at met uw handen en voedde ons met uw handen. U bent erin geslaagd voort te leven op de oude, eenvoudige manier. Te dobberen op de tijdstromen. De jaargetijden gade te slaan met uw altijd blijmoedige blik. Nooit hebt u enige inkomsten gehad of een bankrekening, maar als ergens een natuurramp woedde en op tv giro 555 verscheen, haalde u van onder de lakens een verfrommeld biljet vandaan dat ik dan moest overmaken. Uw ziel heb ik altijd als een olielamp beschouwd: u gaf licht aan anderen maar bleef zelf in duisternis.

Over brede boogtreden van landhuizen met veranda’s en tuinen en vijvers hebt u nooit gelopen. Noch hebt u gezeten in fauteuils van Portugese rococostijl. Noch hebt u een schouwburg of boekhandel van binnen gezien, noch enige krant gelezen of land bereisd. U sloot zich op in uw kleine, overzichtelijke wereld van kinderen en profeten. Als klein meisje sliep u op de grond en later, in Nederland, zat u op stoelen van de kringloopwinkel en roerde u met lepels van de rommelmarkt.

Lieve mama, zoals u daar in de rolstoel zit, van de ochtend tot de avond, lijkt u een pilaarheilige. De Simeon van deze tijd. Uw bestaan is een samengebald autarkisch leven ter hoogte van vijfenvijftig centimeter. Ik zal geen huis, geen kapitaal of ook maar enige titel van u erven. Wat u mij achterlaat, weldra, zijn de herinneringen aan uw smetteloze eenvoud. Uw oneindige opgewektheid en goedheid. Ik kan alleen maar hopen dat iets daarvan in mij is geplant.

Mohammed