Cultuur

Interview

Interview

Een ontsnapping in de 15de etappe zondag met (v.l.n.r.) de Italiaan Damiano Caruso, de Belg Serge Pauwels, de Fransman Warren Barguil en Dylan van Baarle. Foto Lionel BONAVENTURE/AFP

‘Best frustrerend ja, steeds weer teruggepakt worden’

Dylan van Baarle

Vier keer ontsnapt, vier keer teruggepakt. „Soms weet ik bij voorbaat dat ’t kansloos is”, zegt Van Baarle (25). Een monoloog over ‘meezitten’.

„Ik heb de hoop dat er in de Tour ooit een dag komt waarop ze een kopgroep wel laten gaan tot aan de finish. Daar moet ik bij zitten. Daarom val ik zo vaak aan. Als ik die hoop niet had gehad, zou ik ook geen Tour meer kunnen rijden. En het gaat heus wel een keer gebeuren.

„Als ik heel eerlijk ben: ik denk deze Tour niet. Ik heb nog twee kansen, op papier. De rit van dinsdag, en etappe nummer negentien. Maar ja, ontsnappen in de Tour is als Holland Casino, het is één grote gok. Ik geef me maximaal om bij het peloton weg te rijden, en soms weet ik bij voorbaat al dat het kansloos is, zoals afgelopen zondag. Dat parcours was eigenlijk te zwaar voor mij. Maar toch was ik erbij. Want als je het niet probeert…

„Ik weet ook niet precies waar ik steeds weer de motivatie vandaan haal. Ik denk toch omdat het de Tour is, dat is speciaal. Met al die media en zo, toch wel een dingetje. In Parijs-Nice reed ik ook in de aanval. Maar daar praat niemand over. In de Tour krijg je na afloop te horen dat je het goed gedaan hebt. Daar haal ik voldoening uit. Toen Pauwels [Serge, renner van Dimension Data] zei dat ik sterk gereden had, voelde dat goed.

Nerveus

„Voor een rit weet ik of ik wel of niet wil aanvallen. Is het zo’n dag, dan ben ik nerveuzer dan anders, vooral omdat ik bang ben dat ik de ontsnapping niet haal. Als je na de start meteen moet klimmen, dan weet je: de eerste aanval is vaak de beslissende. Dat was eigenlijk zo met alle vier de ritten die ik in de kopgroep zat. Er zijn ook wel ritten bij dat de controle van bijvoorbeeld Sky te groot is. Dan is ontsnappen een loterij.

„Bij de start probeer ik zo dicht mogelijk bij de eerste rij te gaan staan. Dan kijk ik om me heen, wie zie ik, wie zijn er wat van plan vandaag? Staat Thomas De Gendt er, dan hoef ik alleen op zijn wiel te letten. Volgens mij zat hij deze Tour al een stuk of zeven keer in de goede vlucht. Als je echt mee wil zitten, moet je bij hem in de buurt blijven.

Power

„In het neutrale stuk tot de start is het al beuken. Als je plannen hebt, kun je die dus niet verhullen. De snelheid ligt laag, maar niemand wil zijn uitgangspositie nog afstaan. Dat is een apart moment. Als er wordt gevlagd, geef ik meteen alles om te ontsnappen. Dan komt de power die ik heb goed van pas. Ik kan ook wel weer aardig herstellen van die inspanning. Daarna ga je kijken wie je in de kopgroep hebt zitten, en dan bedenk je een plan. Je hoopt dat je minder sterke mannen meekrijgt. Kan ik ze aan in een eindsprint, of moet ik het laatste stuk solo doen?

„In de kopgroep kijk ik vaak een beetje om me heen, ik denk amper. Door de radio hoor ik wanneer ik moet eten en drinken. Verder is het heel rustig, je hoeft niet de hele dag te ouwehoeren, zoals in het peloton. Het publiek moedigt je harder aan dan wanneer je achteraan hangt. Dat geeft een enorme kick. Verder zit je in een bubbel. Ik kom eigenlijk tot rust in een ontsnapping. Misschien ben ik daarom mentaal nog zo fris nu.

„Ik heb gedroomd van de Tour. En als ik Bauke [Mollema] dan zie winnen denk ik: supergaaf. Jaloers ben ik niet. Ik zat ook mee in die kopgroep, maar ik had al gauw door dat ik niet kon winnen. Zo’n col van eerste categorie is te zwaar voor mij, ze gingen daar te hard omhoog. Als ik er bij had kunnen blijven tot het moment waarop Bauke ging, dan had ik het misschien ook kunnen afmaken. Maar daar heb je niks aan.

Felicitaties van Mollema

„Het is best wel frustrerend ja, steeds weer teruggepakt worden. Kijk, dat je een kwartier eerder dan de gruppetto over de finish komt is best leuk, maar daar doe je het natuurlijk niet voor. Mijn ploeg is naar de Tour gekomen om etappes te winnen.

„Vorige week kwam Bauke nog maar me toe. Na de rit naar Nuits-Saint-Georges kreeg ik de rode rugnummers [voor strijdlustigste renner]. Hij feliciteerde me, want ik had toch maar mooi op het Tourpodium gestaan, en dat was hem nog nooit gelukt. Nu heeft hij een rit gewonnen. Ik droom daar ook van. Deze Tour krijgen ontsnappingen alleen amper de ruimte, en dat had ik vooraf anders ingeschat. Sprintersploegen, ploegen voor het klassement; ze rijden als gekken achter je aan. Voor een renner als ik is het al lastig om een rit te winnen. Ik ben vooral van de klassiekers. Maar ik blijf hopen. Kijk naar etappe elf. Maciej Bodnar werd pas bijgehaald op vierhonderd meter van de streep. Zo’n situatie. Dan moet ik erbij zitten. En dus blijf ik het proberen.

„Als de Tour nu zou stoppen, zou ik niet tevreden zijn, wel voldaan. In die etappe van Mollema denk ik bijvoorbeeld: ik ben hier de zwaarste renner, maar ik zit maar wel mooi mee in de kopgroep. Misschien ben ik een kilo of drie, vier te zwaar om een lastige etappe te winnen. Maar die raak ik nog wel kwijt. Dat komt met de jaren.”