Even terug

Vanuit Princeton, New Jersey, schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: het leven tussen twee werelden.
Illustratie Eliane Gerrits

Als ik vanaf Schiphol Amsterdam binnenrijd, voelt het of ik op bezoek ga bij mijn oude tante bij wie ik als kind vaak kwam. Van wie ik de meeste reacties wel kon voorspellen, wist waar de snoeptrommel in de keuken stond en wat haar lievelingsgerecht was.

Het is altijd spannend, dat terugkomen. Is alles nog wel hetzelfde? Vanuit het raam van de taxi zoek ik naar de vertrouwde ijkpunten. Uithangborden van winkels, een haringkraam, een standbeeld. Wat is nieuw en anders? Wat is verdwenen?

Zal de stad straks mijn voetstappen nog wel herkennen? Of ben ik nu ook een van de vele toeristen die vanuit hun hotel willekeurig door de stad banjeren? Hoor ik hier nog? Mag ik dit nog wel mijn stad noemen?

Eenmaal daar word ik opgenomen in de drukte en laveer ik als vanouds tussen volle terrassen, tingelende trams en roekeloze fietsers. Bij iedere afslag druk ik mezelf op het hart dat rechts voorrang heeft, zoals ik mezelf in Amerika er voortdurend aan herinner dat dit niet zo is.

Wanneer ik ergens aan de overkant van een gracht een café zie, realiseer ik me met een schok dat ik over die plek vaak droom. Dan daal ik af in de altijd schemerdonkere kelder waar de toiletten zijn. Aan de wand een poster van een voorstelling van zeker vijftien jaar geleden die iedereen allang weer vergeten is. Omdat het in mijn hoofd nu drie uur ’s nachts is, ben ik letterlijk in mijn vertrouwde droom beland.

Verhuizen is een vorm van permanente jetlag. Ik leef ergens tussen twee tijdzones, maar waar precies? Midden in de nacht schiet ik vaak wakker om met mijn zoon in Nederland te praten. Hij vrolijk en opgewekt, ik fluisterend in het donker om niemand in huis wakker te maken. ’s Avonds spoor ik hem aan om nu toch echt maar eens naar bed te gaan voordat het ochtend wordt, terwijl ik zelf al vecht tegen de slaap.

Thuis is waar je nestgeur hangt. Waar je slaapt in je eigen bed, de grieperige buurvrouw een pannetje soep brengt. De stal waar je bloemen koopt, de bakker waar je brood haalt.

Maar misschien is thuis ook de plek waar je thee drinkt in je droom. De nauwe steeg waar je nachtmerrie zich afspeelt. De gymzaal van de oude basisschool van mijn kinderen waar ik om redenen die ik niet begrijp vaak op mijn kop in de ringen hang.

De ziel reist te paard, maar ik zit op een vliegend paard dat net als ik geen richtingsgevoel heeft. Het is ook nog koppig en doet nooit wat ik wil. Het sleurt me alle kanten op.

Een paar uur later ben ik klaarwakker aan het lunchen met mijn vriendin en is het net of ik nooit weg ben geweest. Ik zink weg in haar bank met de wijnvlek, een herinnering aan een uit de hand gelopen verjaardag. Als ze vraagt hoe het in Amerika is, moet ik mezelf eraan herinneren dat ik daar mijn dagelijkse leven leid. Princeton is opeens heel erg ver weg.

Reacties pdejong@ias.edu