Column

Wormenezen

Marcel

In de zoektocht naar een woning in de buurt van Amsterdam deden we ook het dorp van de schoonmoeder aan. Wormer. Eerst bekeken we het schitterende huis, op de hielen gezeten door een makelaar, die ook uit de kranten had begrepen dat iedereen uit Amsterdam ging vertrekken.

Ja, ja, we moesten dus snel beslissen.

Van schrik reden we bij het vertrek heel zachtjes tegen een fietsenrek. Dat rek had niks, wij ook niet, maar de voorkant van de auto lag er wel af. In afwachting van de ingeschakelde hulp namen we plaats op het terras van de ijssalon-koffietent-brasserie in het centrum.

Ik had me voorgenomen om de gedwongen aftocht uit het onbetaalbaar geworden Amsterdam te vieren als een overwinning. Wij waren trendsetters, de eerste verkennende sprinkhanen van wat de bewoners later als een plaag zouden gaan ervaren, omdat er voor hen geen woning meer overbleef en zij op hun beurt zouden moeten verhuizen vanwege al die Amsterdammers met kinderen. Het was een kwestie van je verlies nemen en over een paar jaar constateren dat je in 2017 heel slim bezig was geweest. En tot het zover was moesten we het zien te rooien met mensen die er nu woonden.

Van Wormer wist ik weinig. Martin Bosma van de PVV kwam er vandaan, Wolter Kroes kwam uit het eraan vastgekoekte Wormerveer en verder zag ik op Google dat ze er in het verleden weleens last hadden gehad van „spontane gaten” in weilanden.

„O, dat waren gewoon meteorieten”, zei de vriendin voor wie dit dorp geen geheimen kende.

„Hoe noemen jullie jezelf?”, vroeg ik de serveerster die nog gewoon met een kladblok de bestelling kwam opnemen. „Wormen?”

„Nee, Wormenezen”, zei de vrouw, op een toon alsof dat veel logischer was.

Ik bestelde een dubbele espresso, die nog kwam zonder grootsteeds schuimlaagje en met een koekje op het schoteltje. Bij het afrekenen hield ik, gewend aan contactloos betalen, het pasje tegen het pinapparaat.

„Je moet hem er natuurlijk in doen”, zei de vrouw.

„Ze zijn hier nog lekker ouderwets”, zei ik nogal opgewonden tegen de vriendin, maar die keek om zich heen en siste dat ik ‘normaal’ moest doen, waaruit ik de conclusie trok dat het best weleens Wormer zou kunnen worden.

„Wat vind jij van Wormer?”, vroeg ik een paar dagen later aan mijn bejaarde moeder en ik duwde haar de geplastificeerde brochure van het huis onder de neus. Ze wees me op de taalfout op het omslag, maar negeerde de vraag verder. Ze ging niet hardop zeggen wat ze dacht: ‘Nog verder bij mij vandaan en dan ook nog in dat dorp van die andere oma’.