Voor de rechter om een kartonnen doos

Wie: Martin H.

Kwestie: milieudelict

Waar: rechtbank Amsterdam

In een bovenzaal van het gerechtsgebouw te Amsterdam buigt de rechter zich over het dossier. „U wordt ervan verdacht dat u op 16 februari 2015 een kartonnen doos niet op de juiste wijze heeft aangeboden.”

De rechter legt de feiten voor aan de verdachte, de 55-jarige Martin H. „U zegt dat u de doos vóór het weekend in de container heeft gedaan, maar dat die er mogelijk is uitgewaaid.”

„Twee handhavers van de gemeente troffen de doos aan op maandagochtend 8.20 uur, met uw naam erop. Ze belden bij u aan. En, wat mij verbaast, u zei toen: ‘Ik dacht dat de papierbak vol was.’ Dat is althans hun verklaring.” De rechter kijkt de verdachte streng aan. „Heeft u dat gezegd?”

„De twee heren zijn ’s ochtends inderdaad aan de deur geweest”, verdedigt Martin H. zich tegenover de drie magistraten in toga. „Ik stond er nog in mijn onderbroek en slippers. Het was kort, ik heb misschien twee zinnen gezegd, maar níét dit. Als de papierbak vol is, neem ik een doos weer mee terug naar huis. Dan zet ik hem niet bij de container, zéker niet als er groot mijn naam op staat.”

Niet eerder veroordeeld

De rechter werpt nog eens een blik in het dossier. „Ik zie dat u niet eerder veroordeeld bent.”

„Wás de container vol”, vraagt de officier van justitie op snerpende toon.

„Het is twee jaar geleden”, zegt Martin H. „Ik kan me dat niet meer herinneren.”

„Nogmaals”, zegt de officier, „er staat in het dossier dat u zei: ‘Ik dacht dat de papierbak vol was.’”

„Ik kan me niet voorstellen dat ik dat heb gezegd.”

„Als u dat gezegd heeft”, vervolgt de officier, „dan is dat tegenstrijdig met uw latere verklaring waarin u stelt: ‘Ik dacht dat ik de doos in de container had gedaan.’ Hoe kun je nou een doos ín de container doen als de container vol is?”

„Dat weet ik niet. Ik blijf bij mijn verklaring.”

„Ik baseer mij op het dossier”, houdt de officier vol, „en dan constateer ik een kartonnen doos die staat náást de container. Niet erin of eruit, nee, ernáást.”

Met een boete van 90 euro was Martin H. ervanaf geweest. Dat was het voorstel dat het Centraal Justitieel Incassobureau hem had gedaan. Maar de verdachte was het er niet mee eens geweest en was in beroep gegaan en dan beland je voor het gerecht. Zaken van tien minuten, de economische politierechter tikt er deze ochtend een hele trits af. Allemaal verkeerd aangeboden kartonnen dozen.

De officier komt tot zijn eis: „Ik zie geen foto in het dossier en de handhavers en u spreken elkaar tegen. Dan is er onvoldoende bewijs en daarom eis ik vrijspraak.”

„Daar ben ik het mee eens”, zegt Martin H.

Het laatste woord

„Mag ik dat noteren als uw laatste woord”, vraagt de rechter. Hij kijkt op en spreekt direct zijn vonnis uit: vrijspraak.

De verdachte staat op. „Mijn dank dat dit zo zorgvuldig wordt gedaan.”

„Ja”, zegt de rechter, „sommige mensen zeggen ook wel: wat een onzin. Maar ach…”

Buiten het gerechtsgebouw haalt Martin H. zijn fiets van het slot. Hij is opgelucht want oh wat voelde die boete onrechtvaardig. „Het gaat mij niet om het geld, maar om het principe. Al járen ben ik bezig de buurt te verbeteren met voetbalveldjes, meer groen in de wijk. Ik probeer de overheid te helpen, zoals ook de overheid steeds meer van haar burger verwacht. En dan krijg ik, verdorie, van diezelfde overheid, een boete!”

Over de poespas van zo’n rechtszaak verbaasde hij zich wel. Dat moet wat kosten. Toch is hij blij dat hij zijn gelijk heeft kunnen halen bij de rechter. Stel dat hij die 90 euro wél had moeten betalen, dan had hij nu gedacht: zoek het uit met je burgerparticipatie. „Dan was ik echt niet meer gaan opzoomeren.”