Recensie

Borstgeroffel en vaag geëmmer

Vijf jaar na zijn dood verschijnt zijn eerste, niet eerder gepubliceerde, roman uit 1965. Het is een modieus werk, waarvan Komrij destijds niet wilde dat het werd uitgegeven, maar dat toch een waardevolle bijdrage levert aan de biografie van de toen jonge, ambitieuze literator.

Gerrit Komrij met toenmalige vriendin Ellen Jonker, in Amsterdam in 1965. Foto Ansje Michorius Foto Ansje Michorius

Ergens eind 2003 zond Radio 6 een interview uit met Gerrit Komrij. Het duurde een uur, en één van de zaken die aan bod kwam was de vereiste hoogmoed voor een jonge dichter. Tenminste, Komrij zag dat als een absolute noodzakelijkheid. Zelf was hij er in het begin van zijn carrière bijvoorbeeld van overtuigd geweest, zo biechtte hij op, dat hij de grootste dichter aller tijden was. Jammer genoeg zag hij al snel daarna in dat dit niet zo was, maar zijn aanvankelijke borstgeroffel liet volgens hem tenminste wél zien dat hij een dichter wás. Kapsones verplicht. Een zanger betreedt niet talmend het podium.

We zijn met de publicatie van De lange oren van Midas, vijf jaar na zijn dood, aanbeland bij die periode uit Komrijs leven. Het is zijn eerste roman, geschreven in 1965, drie jaar voordat hij officieel debuteerde met de dichtbundel Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten (1968). De lange oren van Midas achtte Komrij al snel na afronding ongeschikt voor publicatie. Terugbladerend in wat hij in die periode allemaal bij elkaar gekrabbeld had, liet hij zich jaren later zelfs ontvallen dat hij ‘in die dagen erg in de war moest zijn geweest’.

Dat de roman (die streng bekeken slechts een novelle is) nu wél met lezers gedeeld wordt hebben we aan Komrijs biograaf-at-work Arie Pos te danken. Die schrijft in een mooi en verhelderend voorwoord over het merkwaardige, chaotische jaar dat het fundament voor het geschrift vormt: de pas 21-jarige Komrij brak in Amsterdam zijn studie Nederlands af en vertrok met hartsvriendin Ellen Jonker naar Kreta. Wat het duo van het Griekse avontuur verwacht had wordt niet helemaal duidelijk, maar feit is dat ze al snel in allerlei problemen verzeild raakten. Die waren voornamelijk van financiële aard, maar ook van jaloerse. Komrij was weliswaar al uit de kast gekomen, maar hij kon het toch niet helemaal verkroppen dat Ellen het bed in dook met een Kretenzer heerschap. In het verhitte hoofd van Komrij zoemde intussen ook nog eens Charles Hofman rond, de man die hij kort voor vertrek had ontmoet en die later zijn levenspartner zou worden.

Die biografische schets en de paar tevens opgenomen dagboekaantekeningen van Komrij zelf zijn meer dan noodzakelijk om ook maar enigszins chocola van het fictiewerk te kunnen maken. De lange oren van Midas, geschreven in amper drie maanden tijd, is in elk geval deels een echo van Komrijs leven, met personages (al zijn ze dun als vitrage) en handelingen die Pos reeds duidde. Maar wat een koortsachtig, vaag geëmmer is het verder! En: wat modieus en daardoor nu hopeloos achterhaald. Bevangen door het zogenaamde experimentele proza besloot ook Komrij om een woord als ‘experiment’ als ‘eksperiment’ te schrijven, doorspekte hij zijn proza met allerlei, toch voornamelijk gezochte, verwijzingen naar het werk van Goethe en schrijft hij tamelijk vaak zinnen die (a) verre van fraai zijn en (b) hoogst cryptisch. ‘Ik zie me afscheid nemen’, schrijft hij, ‘de ongebruikte aarde registreren, ik hoor hem vragen of mijn paarden me nog wel trekken; ik zie mijn bedden, mijn kamers, mijn minnaars, mijn priester. Hoezee! Hoezee! Mijn vader melkt koeien & mijn moeder heb ik nog gekend.’ Het had er net zo goed in het Chinees kunnen staan.

En toch is het gehele boek waarin deze versleutelde schepping is opgenomen een bij tijd en wijle waardevol en boeiend literair-historisch werk. Helemaal achterin vinden we bijvoorbeeld een fragment uit Komrijs roman Hercules (2004), waarin doorschemert hoe de schrijver zelf tegen die vreemde tijd aankeek en hoe het, impliciet beslag kreeg in zijn literatuur. Het personage Tim breekt er in zijn hoofd over zijn vroegere ik, over de pedanterieën die hij in zijn oude dagboeken aantreft. ‘Was niet een deel van die jongen van toen in hem blijven bestaan?’ Op zulke vragen zal Pos in zijn biografie ongetwijfeld dieper in gaan. Ik kijk uit naar het resultaat.